Democratisering en individualisering Afdrukken

Deel 2: Een geschiedenis van Moergestel van 1811 tot heden
door Ad van den Oord

-17-Democratisering en individualisering

De tekst komt uit: Ad van den Oord en Paul van Dun: Merk toch hoe sterk. Moergestel schreef geschiedenis (Moergestel, 1996) (copyright).


Religie, cultuur, sport en ontspanning 1950-1996

De kerk, de muziekvereniging en de voetbalclub: het waren allemaal aparte (vaak standgebonden) gemeenschappen waarin Moergestelnaren elkaar ontmoeten en een visie vormden. Die gemeenschappen stonden in deze periode onder druk van een moderne cultuur die zich uitte in commerciŽle dansgelegenheden, stedelijke bioscopen en televisie. Tezamen met de komst van vele honderden nieuwe inwoners zorgde deze omslag voor een meer open cultureel leven. Danscafťs, Den Boogaard en het Trefcentrum werden ontmoetingsplaatsen voor nieuwe generaties jongeren.

Snelle veranderingen binnen de kerk

Op 20 juni 1947 werd Henricus J.G.W.L. van den Boogaard (Vierlingsbeek 1901) benoemd tot pastoor van Moergestel. Deze zoon van een herenboer was voordien kapelaan in de Bossche parochie St.-Catharina. Hij is van grote betekenis geweest voor de opleving van het culturele leven in de gemeente, met name uiteraard als `bouwheer' van het centrum Den Boogaard. Van den Boogaard overleed in 1967. Zijn opvolger was Joseph G. MŁskens (Groesbeek 1919), een zoon van een aannemer. Toen MŁskens bij zijn inhuldiging iets te vroeg aan de gemeentegrens bij de Oisterwijkseweg verscheen, werd hij prompt `teruggestuurd': de harmonie was namelijk nog niet aanwezig, en die vertegenwoordigde toen nog bij uitstek een belangrijk deel van de gemeenschap. MŁskens, die op 4 juni 1972 zijn 25-jarig priesterschap vierde, overleed in 1973. Kapelaan P. Berkers moest toen voor de tweede maal waarnemen.
Op 7 oktober 1973 werd Herman J. van den Broek (Boven-Leeuwen 1933) als nieuwe pastoor geÔnstalleerd. Van 1977 tot en met 1995 was hij bovendien deken van het dekenaat Oisterwijk. Tijdens zijn pastoraat deden zich belangrijke veranderingen voor in het bestuur van de parochie. De culturele ontwikkelingen in de jaren zestig hadden samen met de uitbreiding van het dorp voor een weliswaar groeiende groep parochianen, maar ook voor een sterk verminderde betrokkenheid bij het kerkelijke gebeuren gezorgd. Het officiŽle aantal onkerkelijken (bij de volkstellingen) was tussen 1960 en 1971 opgelopen van 6 tot 90. Tijdens de vastenperiode werden avonden georganiseerd waarin iedereen mee kon praten over het wel en wee van de parochie. De gespreksavonden kregen de naam `Rondom de kerk' en vormden met zo'n twintig deelnemers een bescheiden `parochieconcilietje'. In 1983 werden kerkbestuur en parochieraad vervangen door een parochievergadering. Voor het uitvoerende beleid kwam er een parochiebestuur.
Symbolisch voor het pogen om meer parochianen bij het kerkgebeuren te betrekken was de verkoop in 1975 van de oude statige pastorie, die toch sterk verbonden bleef met de autoritaire pastoors Van Rijckevorsel van Kessel en Janssen. De werkelijke reden van de verkoop lag overigens in het materiŽle vlak: de hoge restauratiekosten. Parochiaan Jan van Gils sr. publiceerde in De Gestelse zijn kritiek op de verkoop in de vorm van een gedicht geheten `Requiem voor een pastorie'. Op 24 augustus 1991 kon een nieuw parochiecentrum geopend worden, de pastoor woonde inmiddels in een gewoon woonhuis. Moergestel werd ook geconfronteerd met het gebrek aan priesters toen kapelaan Berkers in 1976 benoemd werd tot pastoor van de Lambertusparochie te Rosmalen. Het dorp kreeg in de persoon van Rinus Hart een pastoraal werker, die onder andere ook de schoolcatechese op zich nam. In 1980 werd hij priester en drie jaar later verhuisde hij naar Woensel, waar hij tot pastoor benoemd was. Vanaf dat jaar kreeg pastoor Van den Broek assistentie van de redemptorist Jan Vinkenburg.
De pastorie bleef door de verkoop als monument intact. Naast de restauratie van de Moergestelse standerdmolen werd in 1979 een begin gemaakt met het meest in het oog springende monument van het dorp: de Kempische toren. De kosten werden begroot op 900.000 gulden, waarvan Monumentenzorg de helft op zich nam. De gemeente moest 30% bijdragen, de provincie 10% en een geldactie onder de bevolking moest het restant van 10% dekken.
De ontwikkelingen in de kerk gingen snel, voor velen te snel. Het vertrouwde beeld van de bedelende kapucijnen uit Handel (de zogenaamde `rogpater' en `spekpater'), die bij de boeren aanklopten en aan de kinderen prentjes uitdeelden, verdween plotseling. Pogingen om een bedevaart voor St.-Ermelindis op gang te brengen leden in de jaren vijftig en zestig schipbreuk. Er kwam een muziekgezelschap uit Meldert (BelgiŽ), waar Ermelindis vereerd werd, op De Hooge Braaken spelen en het gezelschap voerde zelfs een toneelspel op over de heilige. Bij een tegenbezoek bracht pastoor Van den Boogaard een relikwie mee die op tweede pinksterdag vereerd werd. Maar verder kwamen de pogingen niet.

Een lange preek

De parochianen konden de vele veranderingen in de kerk nauwelijks bevatten. In de vroege avonduren van 11 juni 1970 troffen trouwe Moergestelse kerkgangers een man voor het altaar aan, die in zijn gewone pak de mis opdroeg. De parochianen keken elkaar eens vreemd aan, maar berustten er al in dat de nieuwe tijd weer een verrassing voor hen in petto had. De `celebrant' bleef echter druk bezig en aan zijn preek kwam maar geen einde. Dat verontrustte de parochianen, want als er iets niet paste bij de nieuwe tijd was het wel een lange preek. De dappersten onder het kerkvolk besloten de pastoor maar eens te waarschuwen, die onmiddellijk de politie belde. Deze verwijderde de `celebrant' uit de kerk. Bij verhoor bleek dat het om een 34-jarige Eindhovenaar ging, die kort daarvoor was ontslagen uit de rijkspsychiatrische inrichting. Hij was op die bewuste elfde juni met zijn brommer naar BelgiŽ gereden. Daar werd hij aangehouden en omdat hij niet over geldige papieren beschikte de grens overgezet bij Goirle. Terugtuffend naar Eindhoven kwam hij door Moergestel en bij het zien van de kerk voelde de man een onweerstaanbare drang opkomen een mis op te dragen.

Pastorale culturele impulsen

Het kerkbestuur dankte het gemeentebestuur . op 23 november 1957 hartelijk voor de wederom geschonken subsidie aan het Verenigingsgebouw en aan het Jeugdhuis, maar tegelijkertijd moest het kerkbestuur concluderen dat de beide panden niet meer op de `huidige tijd' berekend waren. Een modernisering van de panden zou veel geld kosten, vandaar dat het kerkbestuur de mogelijkheid opperde om een geheel nieuw gemeenschapshuis op te bouwen met steun van de gemeente. Pastoor Van den Boogaard had zitten piekeren hoe in deze tijd van `danswoede' de lokale jeugd het best opgevangen kon worden. De standsorganisaties zagen hun eigen jeugdbeweging en daarmee een potentiŽle aanwas verloren gaan. In 1959 werd het plan geboren om de jeugd van alle standen in een nieuwe stichting (Jeugdbelangen) van de parochie onder te brengen. Een jaar later kon er reeds een gemeenschapshuis geopend worden. Onder bezielende leiding van pastoor Van den Boogaard was er een film- en toneelzaal gebouwd met vaste stoelen en een oplopende vloer. Van den Boogaard stond in 1965 ook aan de wieg van de Culturele Kring, die culturele avonden organiseerde in het Verenigingsgebouw. De parochiebibliotheek St.-Paulus kreeg van pastoor Van den Boogaard eveneens nieuwe impulsen, maar hij kon niet voorkomen dat de bibliotheek in 1964 moest worden opgeheven. Het kerkbestuur maakte zich samen met het gemeentebestuur . , de katholieke standsverenigingen en de KVP sterk voor een eigen nieuwsblad voor Moergestel. Op 27 april 1965 was het zover, toen startte De Gestelse. Zes jaar hield de redactie het uit. Op 28 juli 1971 verscheen nog een laatste gestencilde nooduitgave, daarna werd het blad ingelegd in De Hilverbode. Maar vanaf maart 1976 beschikte het dorp weer over een eigen periodiek: Moergestel-Nieuws.

Het `Moerglasstel'

De na de oorlog in Moergestel wonende kunstenaars Jan Dijker (1913) en Egbert Dekkers (1908) namen beiden een vooraanstaande positie in binnen de Brabantse kunstwereld, maar waren zeker ook daarbuiten bekend. Hun opleiding hadden ze genoten op de rijksacademie in Amsterdam bij Heinrich Campendonk. Zowel Dekkers als Dijker waren katholiek geÔnspireerd. Hun levensdoel was een goed katholiek en een goed schilder te zijn. Dekkers was in 1935 priester geworden en werd rector bij Stanislaus. Daardoor kwam ook zijn oude academievriend Dijker na de oorlog in Moergestel terecht. Dijker zat in Limburg ondergedoken om zo te ontsnappen aan de Kultuurkamer. In 1940 had hij de zilveren medaille van de Prix de Rome voor monumentale kunst verkregen. Dijker vestigde zich in villa Hoogenhuizen; van de eigenaresse mocht hij het pand voor 475 gulden per jaar betrekken. Zijn vriend Dekkers kwam er later bij. De bedoeling was om er een kunstenaarscentrum van te maken. Dijker en Dekkers waren meesters in het vervaardigen van monumentale kunst. Zij ontwierpen voor diverse Brabantse kerken en openbare gebouwen decoratieve muren, wandtapijten en vooral ook monumentale glastechnieken. Niet voor niets kregen zij van Lambert Simon de bijnaam het `Moerglasstel'. Dijker vervaardigde onder andere het mozaÔek voor de Maria-kapel van de Moergestelse kerk (1953) en een glascollage voor het uitgebreide gemeentehuis (1976). Dekkers ontving in 1956 de provinciale prijs voor beeldende kunst. Dijker speelde ook op nationaal niveau een rol in de wijze waarop na de oorlog de beeldende kunst integreerde in de moderne cultuur. Dekkers overleed in 1983, Dijker in 1993.

Een gemeenschappelijke muziekkiosk

De muziekverenigingen bloeiden in de jaren vijftig vooral onder de schoenmakers. Harmonie Prinses Juliana telde in die tijd nog weinig boeren als lid. H. van de Wouw (Driek van Toone) en Jan Jonkers waren de uitzonderingen. De laatste, voormalig zaakvoerder van de Boerenbond, werd secretaris/penningmeester van de harmonie. Hij had er alle vertrouwen in: `Muziek ken ik niet. Maar er zal wel ander werk genoeg zijn'. De harmonie verzorgde nog altijd de muzikale omlijsting bij kerkelijke feesten en bedevaarten. Uit de harmonie werd een `hermenieke van Scherpenheuvel' samengesteld om de bedevaart over het `Bels lijntje' te begeleiden. Janus van de Wouw werd ingezet als voorbidder omdat hij de voorgeschreven gebeden zo snel op kon dreunen. Als Janus in goede vorm was, was het hermenieke bij Baarle al `vrij man' en kon de aandacht gericht worden op meer aardse zaken. De Vlaamse stamineekes werden dan tot na het sluitingsuur door de muzikanten bezocht.
Met een harmonie en twee zangverenigingen in huis moest er volgens het gemeentebestuur . in 1956 toch iets gedaan worden aan het ontbreken van een muziekkiosk. Plannen werden gesmeed want de omliggende gemeenten hadden al zoiets en men kon toch niet achterblijven. De opdracht om een kiosk voor het Jeugdhuis te bouwen werd in 1957 verstrekt, in 1959 kwam deze gereed.

Dansen in de cafťs

De moderne cultuur in de jaren vijftig was ook door allerlei initiatieven van pastoor Van den Boogaard niet tegen te houden. De Moergestelse kermis groeide uit tot een spektakel voor de jeugd met luchtschommel, lichtspel, schiettent, Berg- en Dalbaantje, eten en drank. Maar niet de attracties lokten de jongeren doch de mogelijkheden om te dansen. Het gemeentebestuur . hield wel nauwlettend toezicht. In 1950 waren moderne dansen en swing ten strengste verboden, nog in 1959 deden B&W de rock and roll in de ban.
In de winter van 1950 vatte de Oisterwijkse dansleraar E.M. Grijsbach het plan op om in de zaal van De Brouwer dansonderwijs voor beginnelingen en gevorderden te geven. Hoewel Grijsbach keurig lid was van de RK Bond van Dansleraren `San Filippo Neri' moest hij toch een lijst met deelnemers aan de danscursus vooraf aan burgemeester Bardoel voorleggen. De burgemeester bezat het veto-recht. Had hij bezwaar tegen een kandidaat-danser, dan mocht deze door Grijsbach niet toegelaten worden tot de cursus. Verder dan enkele dansdemonstraties kwamen de plannen van Grijsbach echter niet.
Wel was er in zaal De Brouwer iedere veertien dagen vrij dansen. Gust van Haaren, Theo Groenland en Piet Pijnenburg (The Fairboys, later De Melodisten) maakten er muziek, aanvankelijk voor vijf gulden en enkele glazen bier. Kastelein Jan de Brouwer stond bij de deur om het toegangsgeld te innen. Uit Moergestel en omliggende plattelandsdorpen kwamen de boerenjongeren op zondagavond massaal naar De Brouwer. Maar om 22.00 uur stond iedereen weer buiten, want dan verscheen politieagent Van Geersaem voor de deur om te zien of De Brouwer zich hield aan de door de gemeente vastgestelde danstijden. The Music Boys onder leiding van Rini van de Wouw maakten muziek in het Fortuin voor middenstandsjongeren, terwijl bij Pierre Timmermans (Breda's Welvaren) vooral de arbeidersjongeren kwamen dansen op muziek van Graad van de Weijdeven.
Al die danslustige jongeren baarden de gemeenteraadsleden wel enige zorg. In 1955 discussieerde de raad over het toelaten van een danstent tijdens de kermis. Iedereen was ervan overtuigd dat de kermis op die manier beter zou lopen, maar er was ook het risico aan verbonden dat de schoolvrije jeugd de danstent zou bezoeken. Voorzichtig opereren was het sleutelwoord in die jaren. Men besloot eerst maar eens te overleggen met de katholieke vrouwenbeweging om zo te vernemen hoe de Moergestelse moeders erover dachten. Toen in september 1955 kastelein Timmermans verzocht om uitbreiding van zijn dansgelegenheid, was de scepsis in de raad zeker niet verdwenen. Raadslid J. Habraken vond eenmaal per maand dansen in Breda's Welvaren wel mooi genoeg. Andere raadsleden vroegen het college om `deugdelijk toezicht' aangezien vele zestien- en zeventienjarigen van elders in Moergestel kwamen dansen. De danszalen in het dorp waren bij elke gelegenheid overvol. Volgens burgemeester Bardoel verleende de politie met opzet de dansvergunningen slechts korte tijd van te voren om zo het maken van reclame door de kasteleins buiten de gemeente tot een minimum te beperken.

Carnaval

Eind jaren vijftig nam de belangstelling voor het vieren van carnaval toe. Op 12 maart 1962 werd carnavalsvereniging De Pierewaaiers opgericht. Doel was de saamhorigheid in Moergestel te vergroten, de ontspanning te bevorderen en het kasteleinsbelang te dienen. Voorzitter werd Jos Janssen en secretaris W. Mertens. Geen Moergestelnaar maar Jan Boerboom uit Tilburg werd de eerste prins van de vereniging. De belangstelling voor de carnavalsviering was groot, de vereniging telde na een aantal maanden reeds meer dan zeventig leden. In 1964 vonden er al drie gecostumeerde balavonden (in zaal Timmermans) en een optocht plaats.
De saamhorigheid hield echter niet lang stand. De Pierewaaiers organiseerden het openbare carnaval, maar toen er meerdere carnavalsverenigingen kwamen, werd die situatie ingewikkelder. In 1968 ontstond carnavalsvereniging De Durdraaiers en in 1970 spatte De Pierewaaiers uiteen na conflicten over het voorzitterschap. De niet herkozen voorzitter Ad Wouterse richtte de carnavalsvereniging De Flamingo's op. Deze vereniging en De Pierewaaiers waren nu beide thuis in Breda's Welvaren. Een onhoudbare situatie, waaraan De Pierewaaiers een einde maakten door te vertrekken naar cafť De Brouwer. De kleine gemeenschap Moergestel werd in 1971 verblijd met een vierde carnavalsvereniging De Dorstvlegels, die thuis waren in De Korenmaaier. De samenwerking tussen de diverse verenigingen rondom het openbaar carnaval en de gezamenlijke carnavalskrant liep eufemistisch gesproken niet altijd vlekkeloos.

Den Boogaard en jongerencentrum Hades

De droom van pastoor Van den Boogaard dat de Moergestelse jongeren braaf bioscoop en toneel zouden blijven kijken liep ten einde toen de wereld door Beatles en Rolling Stones op de kop werd gezet. De leiding van het naar de pastoor genoemde gemeenschapshuis Den Boogaard zag de bui in 1967 hangen en ontwierp een ingrijpend verbouwingsplan. De filmzaal werd afgebroken en er kwam een danszaal voor in de plaats. Als eerste klapper in de verbouwde zaal trad Shocking Blue op, nadat de bandleden hun succesvolle tournee in Amerika beŽindigd hadden. Den Boogaard werd een centrum voor popconcerten, maar wegens drugsgebruik sloot het gemeentebestuur . de zaal enige maanden. Daarna werd het frequente optreden van popgroepen afgeschaft.
De beat-avonden in Den Boogaard bekoorden echter niet alle Moergestelse jongeren. De tegencultuur organiseerde zich rondom jongerencentrum Hades (het Griekse woord voor dodenrijk). Hades maakte met de keurige judo-vereniging en padvindersclub onderdeel uit van de stichting Jeugdbelangen St.-Jan. Maar Hades wilde allesbehalve keurig en burgerlijk zijn. In december 1969 verscheen de eerste Hades-krant onder redactie van J. van Riel en A. Weideveld. De tweehonderd leden van Hades kregen het blaadje gratis, niet-leden betaalden een kwartje en volgens het redactiecolofon moesten geestelijken ťťn gulden, politieagenten twee gulden en vijftig cent en de burgemeester vijf gulden ophoesten indien ze een exemplaar wilden kopen. De muzikale voorkeur van de redactie ging uit naar Fleetwood-Mac, Led Zeppelin, Rolling Stones, Jethro-Tull en Iron Butterfly. De Volendamse groep The Cats werd niet geduld op de draaitafel van Hades. Niet de muzikale voorkeuren, maar wel een `intervjoew met het polisiekorps' veroorzaakte in het dorp de nodige deining. De ietwat naÔeve dienders hadden zich tegenover de redactie van Hades openhartig uitgelaten over welke van de vier prinsessen zo hun voorkeur genoot. De redactie die het interview met de agenten als bladvulling presenteerde, liet niet na de voorkeur van de agenten voor prinses Irene breed uit te meten.
B&W besloten in januari 1970 de activiteiten van jongerencentrum Hades stil te leggen, omdat het interieur van het gebouw niet in overeenstemming was met de brandvoorschriften. De jongeren formeerden een Werkgroep Kritische Jongeren, met onder andere Chris van Riel. Zij claimden het recht op een tweede jongerencentrum naast Den Boogaard, dat door hen werd afgedaan als een `superkommersiŽle kleuterschool'. Burgemeester Poort besloot het gesprek met de jongeren aan te gaan. Op een discussiebijeenkomst stelde hij dat de kritische jongeren te gemakkelijk voorbijgingen aan het feit dat in Den Boogaard `800 jongeren iedere zondag hun vertier vinden'. Juist voor de door de kritische jongeren gewenste film, toneel en lezingen was volgens de burgemeester nu juist geen belangstelling meer. Ook over het sluiten van Hades nam Poort geen blad voor zijn mond: `Het was geen sfeervol jeugdcentrum meer. Het creatieve gedeelte werd steeds minder en dansen etc. (ik wil het netjes zeggen) ging de boventoon voeren op 'n manier, waarover ouderen zich terecht ergerden. Het was zelfs zover, dat er plannen bestonden om de krukjes, die de stoelen al vervangen hadden, er ook weer uit te doen. Men zou dan kleden op de grond leggen en daarop gaan zitten'. Fijntjes wees de burgemeester nog eens op het eerste nummer van de Hades-krant, waarvan de inhoud hem en vele andere autoriteiten tegen de borst was gestuit. Het zou tot 1974 duren voordat in de restanten van de voormalige fabriek van Van Bommel een nieuw Trefcentrum haar deuren kon openen.
Bekendheid kreeg vooral de folkdag die rondom het Trefcentrum georganiseerd werd aan het eind van de jaren zeventig. Het begin met uitsluitend Nederlandse groepen was in 1977 gemaakt. Het succes van de volksmuziekoptredens was aanleiding voor Paul van de Wiel en Henk Hoogenstraaten om bij de gemeente aan te kloppen voor medewerking aan nieuwe folkfestivals. De bezoekersaantallen gingen met sprongen omhoog. In 1977 waren er 300, in 1978 1200 en in 1979 4000. Naast de Brabantse troubadour Gerard van Maasakkers, traden Schotse, Franse, Duitse, Engelse, Belgische en Ierse groepen op waaronder de Franse topgroep La Bamboche en de groep van JimMcCann, die voorheen bij The Dubliners speelde. De AVRO maakte opnames van de folkdag voor een radio-uitzending. Het Trefcentrum was te klein om alle groepen te laten spelen en daarom kwamen er ook podia in Den Boogaard, op de kiosk en op het St.-Jansplein.

Het Folkfestival, de disco-avonden met Geert (ome Gijs) van de Wouw in Den Boogaard, de speeltuin van 't Stokske, die Jan en Miet de Kort rond 1950 begonnen, en die samen met het cafť aan jong en oud uit de omgeving verpozing bood: het toont allemaal aan dat Moergestel door zijn ligging uitermate geschikt was voor activiteiten met een regionale uitstraling. Trendsetter bleef disco Den Boogaard, die in de jaren negentig een van de meest bekende uitgaanscentra werd voor Tilburg en omgeving. Dat botste soms met lokale wensen tot rust op het St.-Jansplein. In 1994 probeerde het management van Den Boogaard de aandacht weer wat te verleggen naar de veel vrediger dorpse disco.
Dat Moergestel cultureel geen eiland bleef, bewees ook de groeiende stroom van mogelijkheden om via het gedrukte woord en het beeld kennis te nemen van de nationale en internationale cultuur. Moergestel kreeg een schitterend geoutilleerde bibliotheek en het kabelnet kende vanaf 1982, eerst als piraat en later legaal, Moergestel TV als lokale zender. Van de oude Moergestelnaar rest slechts nostalgie en het beeldje bij het gemeentehuis dat Hans van Brunschot in 1984 vervaardigde: `Jaoneke' met de mutserd (takkenbos) op zijn schouder en de `klak op zijn kop'.

Van voetbal tot tennis

Voetbalclub Audacia had een moeilijke bevalling achter de rug, maar groeide daarna wel als kool. Reeds in het eerste jaar traden er 117 leden toe. Het kampioenschap werd tweemaal achtereen behaald. In het seizoen 1950-1951 moest een beslissingswedstrijd tegen SDO uit Lage Mierde uitkomst brengen. Na een doelpuntloos gelijkspel scoorde in de verlenging Puck Smolders voor Audacia, waarmee promotie naar de eerste klasse van de afdeling Noord-Brabant een feit was. Er werd een trainer aangesteld: Toontje van der Waals uit Oisterwijk. Hij had gespeeld voor het roemruchte Bossche BVV. De oud-voetballer, die als schilder in Moergestel werkte, kreeg voor zijn trainersactiviteiten vijf gulden per week. Van der Waals deed Audacia er eigenlijk maar bij. Hij trainde ook het hoger geplaatste Uno Animo uit Loon op Zand, waardoor de trainer bij de zondagse wedstrijden van Audacia verstek moest laten gaan. Vanaf 1954 taande de animo voor Audacia. Niemand was bereid zitting te nemen in de elftalcommissie terwijl ook de financiŽle toestand deplorabel was. Het terrein aan de Bosstraat kon door het ontbreken van een wasgelegenheid eigenlijk niet meer gehandhaafd worden.
In 1962 werd wethouder Willeke van de Loo voorzitter en hij stelde als een crisismanager orde op zaken. In 1966 kon een nieuw sportcomplex in gebruik genomen worden aan de Molenstraat. Audacia startte in het seizoen 1971-1972 met vrouwenvoetbal en leverde zelfs een voetbalster (Wilma van Elderen) af die de nationale top bereikte. Het eerste elftal werd in het seizoen 1973-1974 kampioen, waardoor de zo lang begeerde promotie naar de vierde klasse van de KNVB volgde.
In 1955-1956 zag de nieuwe sportvereniging Roef het licht, die zich vooral richtte op de schoolvrije jeugd (jongens en meisjes) met sporten zoals volleybal, softbal, hockey en honkbal. De initiatiefnemers kregen gemeentelijke subsidie en huurden een terrein aan de Zandstraat. Roef kende echter al spoedig hetzelfde probleem als Audacia: het ontbreken van een geschikt terrein. De problemen waren dermate urgent dat voorzitter H. op 't Hoog van Roef eind januari 1958 aan de burgemeester meedeelde dat de club ontbonden moest worden als er geen terrein van gemeentewege beschikbaar kwam. Het gemeentebestuur . stelde de `koeweide' beschikbaar, maar pogingen om het terrein bespeelbaar te maken faalden. Er kon zelfs geen training op gehouden worden. Roef zou met Audacia moeten wachten op betere tijden.
In 1952 was het Allemansven door B&W als officiŽle zweminrichting aangewezen. De entree werd voor volwassenen op vijftien cent en voor kinderen op vijf cent gesteld. Een commissie van toezicht stond onder leiding van pastoor Van den Boogaard en burgemeester Bardoel. De gemeente droeg zorg voor gedegen afrasteringen en kleedhokken. Maar juist na al deze extra aandacht verslapte bij de badgasten de zwemlust zienderogen. De oorzaak was B&W snel duidelijk: toen er entree gevraagd werd voor de faciliteiten, bleek de interesse voor het ven spoorslags verdwenen. In de gemeenteraad bleven pleidooien weerklinken om in elk geval een klein instructiebad voor kinderen van gemeentewege te verzorgen. Plannen om een dergelijk bad te vestigen bij het sportterrein aan de Bosstraat liepen op niets uit. Het water van de Reusel bleek daarvoor niet zuiver genoeg. In de gemeenteraad toonde vooral J. van Dusseldorp-Geise zich een voorvechtster van het openhouden van het Allemansven en van schoolzwemmen daarin. Zij werd benoemd in een commissie die het ven liet onderzoeken. In die functie uitte zij stevige kritiek op burgemeester Bardoel, die zij verweet zonder iemand te horen reeds een zwemverbod voor het ven te hebben uitgevaardigd. De burgemeester wees ter verdediging echter op de verdrinking van een Tilburgse jongeman in het ven in de zomer van 1954. Van Dusseldorp-Geise besloot desondanks een `motie van afkeuring' tegen de burgemeester in stemming te laten brengen. Haar fractiegenoot Schade was sprakeloos: `Het lanceren van moties hoort in de Raad van Moergestel niet thuis'. Toch werd de motie aangenomen met zeven tegen vier stemmen. Ook de beide wethouders lieten Bardoel vallen. Het incident toont opnieuw aan hoe problematisch de verhouding op dat moment tussen burgemeester en gemeenteraad was. Bardoel zelf reageerde volgens de raadsnotulen laconiek: `De Voorzitter zegt, dat deze uitslag hem niet tegen valt'. Van het onder toezicht zwemmen in het Allemansven kwam niets terecht. De commissie onder stuwende leiding van Van Dusseldorp-Geise trad op 27 mei 1955 af. De gelden waren onvoldoende om een plan gerealiseerd te krijgen. Van Dusseldorp-Geise verklaarde dat te betreuren in het bijzonder voor de `sociale en zedelijke verheffing van de jeugd en tot bevordering en ordening van het klein toerisme (een aanmerkelijke bron van inkomsten)'.
De rijvereniging van de Boerenbond Fevior richtte in 1966 een ponyclub op, die in 1977 over 45 leden en twee oefenterreinen aan het Stokske beschikte. Ponyrijden werd een liefhebberij, die niet beperkt bleef tot de boerenstand. Dat was te merken in het ledenbestand. In 1982 besloot de ponyclub niet langer deel te nemen aan het cultureel programma van de Boerenbond, omdat veel ruiters niets meer te maken hadden met de boerenorganisatie.
De uitgroei van het dorp had ook zijn consequenties voor de sport. In 1972 hield de gemeente een enquÍte naar de belangstelling onder de bevolking voor de huur van tennisbanen. Er kwamen 130 aanmeldingen, waarvan eenderde bestond uit jongeren onder de 21 jaar. Maar het tennis was niet alleen iets voor de buitenstaanders. Twintig procent van de aanmeldingen was afkomstig van mensen die hun hele leven al in Moergestel woonden. De gemeente wilde banen openen, maar er was geen tennisclub. De gemeente nam toen het initiatief, nodigde zes belangstellenden uit, waaruit uiteindelijk een Moergestelse Tennisvereniging (MTV) voortkwam. Het individueel of in klein groepsverband sporten nam in populariteit toe ten koste van de teamsporten. In 1976 kwam sportzaal `De Vonder' aan de Kloosterlaan gereed, die in 1996 plaats moest maken voor een nieuwe sporthal aan het Stokeind.
 
Venster sluiten