De natuur wikte en de heren beschikten Afdrukken
Deel 2: Een geschiedenis van Moergestel van 1811 tot heden
door Ad van den Oord

-9-De natuur wikte en de heren beschikten

De tekst komt uit: Ad van den Oord en Paul van Dun: Merk toch hoe sterk. Moergestel schreef geschiedenis (Moergestel, 1996) (copyright).


Materieel bestaan en sociaal leven 1810-1890

De Moergestelse boeren kregen de oogst in de negentiende eeuw nog steeds niet cadeau. Aardappelziekte, hagelbuien, wateroverlast en aan de gewassen knagende insecten, konijnen, hazen en patrijzen zorgden regelmatig voor overlast. De weerselementen en de natuur waren echter niet de enige problemen waarmee de boer te kampen had. Ook de bestuurders en de heren bleven bij tijd en wijle via cijnsen, tienden en heerlijk jachtrecht de kleine boeren het leven zuur maken. De natuur wikte en de heren beschikten.
De molenaar, eveneens afhankelijk van wind en water, nam in het dorp een belangrijke economische positie in. Enkele families van looiers en schoenmakers wisten in de negentiende eeuw voldoende kapitaal op te bouwen, waarmee ze de fundamenten legden voor de latere fabrieksmatige productie van schoenen. Vele arbeiders en boeren leefden op de rand van de armoedegrens. Hun situatie zou pas na 1890 fundamenteel verbeteren.
De verkeerswegen in Moergestel bestonden nog slechts uit zandwegen en voetpaden. De transportmogelijkheden waren met name in de winter afhankelijk van de weersgesteldheid. Naar Tilburg, Oirschot en Oisterwijk kwamen grindwegen. Men trouwde in Moergestel vooral met iemand uit het eigen dorp. De boeren huwden vrij laat en kregen daardoor niet al te grote gezinnen. Zuigelingensterfte, epidemieën en een slechte gezondheidszorg zorgden voor hoge sterftecijfers. De bevolking van Moergestel nam daarom in de negentiende eeuw slechts matig toe.

Keuterboertjes

Heide- en broekgronden overheersten nog in het begin van de negentiende eeuw. De heide lag op vrij hoge gronden. De ontwatering was slecht waardoor grote gedeelten erg moerassig waren en daardoor bijna ontoegankelijk. De broekgronden waren woeste grazige stukken land, laaggelegen bij de beken, waarvan de ontwatering bovendien veel te wensen over liet. Toch waren deze gronden voor de Moergestelse boeren erg belangrijk. Er werden schapen en runderen op gehoed en hooi, turf en honing op gewonnen. De heide werd gevlagd en gemaaid om strooisel voor de potstal te verkrijgen. Dat het turfsteken op de kale heide niet ongevaarlijk was, bleek in 1837 toen een van de turfstekers in het Moergestels Broek door de bliksem dodelijk getroffen werd. De heidegronden werden nog altijd gemeenschappelijk gebruikt. Het riviertje de Reusel verkeerde rond 1820 in een slechte staat van onderhoud: na iedere slagregen of donderbui waren de beemden en groesvelden niet te gebruiken. Ook de waterlozing van `de Kleine Stroom' of Rosep was met name op de Oisterwijkse heide slecht. De boeren van de Heikant en het Broek konden met de gronden niet veel uitrichten.
In 1825 hadden de boeren 426 bunders zaailand, 340 bunders wei- en hooiland en ruim 255 bunders broeklanden ter beschikking. Bos was er nog weinig, het schaarhout van bomen groeiend aan de kanten van akkers en weilanden werd naar Oisterwijk en Tilburg vervoerd en verkocht. De kwaliteit van de akkerlanden en kunstweiden (driesen), waar de boerderij bij gebouwd werd, was belangrijk voor de opbrengst van de oogst en het vee. De beste gronden in Moergestel lagen in het gebied rond de kerk, Hild, Rootven, Stokske, Vinkenberg en Heijze. Daar bevonden zich de typerende langgevelboerderijen met woonhuis, schuur en stal naast elkaar gebouwd, vaak met een losstaand karschop. Voor deze boerderijen stonden niet zelden leilindebomen, die de boerderij tegen de weerselementen moesten beschermen.
De Moergestelse boeren hadden een gemengd bedrijf. Winterrogge was op de zandbedrijven het belangrijkste gewas. De rogge werd niet alleen gebruikt voor het dagelijks brood, maar ook als veevoer, vooral voor het mesten van varkens. Bovendien diende de rogge voor het stro op het dak, in de stal en in het bed. Ten slotte kon op de roggestoppel nog een tweede gewas, zoals spurrie of knollen, geteeld worden. Spurrie, mangelwortelen en klaver voorzagen de koeien van het nodige voedsel. Het wintervoer was hooi, maar door de geringe mogelijkheden tot het maaien van hooibeemden moest er veel hooi aangevoerd worden uit Holland. In het voorjaar werd het vee op de heide gehoed. De boer had zijn veestapel hard nodig om het land te bemesten. De humusrijke plaggen van de heide vormden het strooisel in de potstal. De Moergestelse keuterboertjes hadden nauwelijks mest, dientengevolge magere oogsten en dus ook weinig vee, waarmee de cirkel rond was.
Het verbouwen van aardappelen werd steeds belangrijker, maar hield ook risico's in. De aardappelziekte zorgde in 1851 opnieuw voor veel misgewas, en een stevige hagelbui vernielde op 29 juli van dat jaar ook nog eens de helft van de oogst. De resterende gewassen werden bedreigd door konijnen, hazen en patrijzen. Daarentegen stond goed weer meestal garant voor een goede oogst. Zo bleek 1872 voor de boeren een bijzonder vruchtbaar jaar. Er was zoveel graan dat de boeren het niet in hun schuren konden plaatsen. Zij moesten volgens de pastoor de `granen buiten op mijten zetten'. Maar, zo klaagde de geestelijke, boter, eieren en vlees bleven duur.
Met zes tot zeven koeien was men al een flinke boer. Simon van Lommel en Andries van Amsterdam hadden in 1823 zes koeien, Adriaan Ketelaars bezat maar liefst zeven runderen boven de twee jaar. Werkpaarden waren nog schaars; Van Lommel had er twee, maar de grote boeren Van Amsterdam en Ketelaars slechts één. Een ziek paard kon een boer ruïneren. De provincie hield enig toezicht op de toestand van de paarden. Zo kwam in 1821 op verzoek van de provincie de Vughtse veearts J. den Doop naar Moergestel om een ziek paard af te maken. Veel boeren moesten het doen met een trekos voor de ploeg. In de tweede helft van de eeuw groeide de veestapel; het aantal geiten, `de koe van de armen', verdubbelde. In 1851 waren er in Moergestel 430 koeien, 250 varkens, 2 stieren, 99 paarden, 200 kalveren, 2 bokken, 120 geiten, 800 kippen, 100 duiven, 300 bijenstokken, 40 schapen en 20 trekossen. Toch bleef het voor een boer onmogelijk om veel koeien te voeden. In 1866 behoorden Simon van Lommel, Adriaan de Lepper, Adriaan Ketelaars en Jan van Sprang met vijf tot zeven koeien nog steeds tot de grootste veeboeren.
De helft van alle grond bestond in het begin van de negentiende eeuw uit heide. Ontginning van de heide was een onmogelijke opgave voor de boeren, gezien het tekort aan mest. De heide tussen Oisterwijk en Moergestel bij de Oirschotsedijk was al eeuwenlang gemeenschappelijk bezit. De boeren van de Heikant hoedden er vooral hun koeien en schapen. Maar in 1823 werden zij er plotseling afgejaagd door de Oisterwijkse veldwachter, die zich bij zijn charges liet bijstaan door enkele marechaussees. De keuterboertjes leden hierdoor aanzienlijke schade doordat zij zich bij gebrek aan weidegronden van een deel van hun schapen moesten ontdoen. Nu betaalden de Moergestelse boeren de `wilderniscijns' al vanaf 1813 niet meer, nadat Oisterwijk de inning had gestopt onder voorwendsel dat de leggers verloren gegaan waren. Slechts de boeren die een zogenaamde `aardbrief' (bewijs om van aard of gemeint gebruik te mogen maken) konden tonen, werden door de veldwachter ongemoeid gelaten. In 1824 bereikten de gemeentebesturen van Oisterwijk en Moergestel weliswaar overeenstemming over de cijnsen en het gebruik van de grond, maar Oisterwijk reserveerde het beste weidegebied rond de Rosep voor de eigen inwoners. De gemeente Oisterwijk verkocht na 1840 in rap tempo de heidegronden aan particulieren, die de gronden ontgonnen. Daardoor verloren de Moergestelse boeren een belangrijk gedeelte van de heide om er hun koeien en schapen te hoeden. Slechts één Moergestelnaar behoorde tot de acht eerste grondkopers; het was geen boer, maar een heer van stand: notaris David Marinus van Kelckhoven. Gelukkig waren de Moergestelse boeren niet alleen afhankelijk van de heide op Oisterwijks grondgebied.
Ook het eigen gemeentebestuur legde de boeren beperkingen op. Een verordening uit 1857 stelde dat voor het weiden van vee vergunning van de grondeigenaar nodig was en dat op de `gemeenteweide' slechts koeien met gebrande hoeven of hoornen mochten grazen. De boeren moesten weidegeld betalen. In 1872-1873 leidde dit tot wrijvingen tussen de landbouwers van de Broekzijde en burgemeester Jac. van de Wouw. De gemeenteraad eiste dat het vee eerst gebrand zou worden, zodat controle op betaling van weidegeld mogelijk was. De boeren weigerden halsstarrig. Ook een detachement soldaten, dat drie zomermaanden in Moergestel verbleef, bracht hen niet tot andere gedachten. Pas nadat in 1873 vele boetes waren uitgedeeld, en zelfs welvarende boeren in Oirschot de gevangenis van binnen hadden gezien, nam het verzet af.

Strubbelingen tussen heren en boeren over het jachtrecht

De Moergestelse boeren hadden wel de lasten maar niet de lusten van de jacht. De Reusel, oftewel `de Groote Stroom' was rond 1840 een visrijk riviertje. Het visrecht was er echter verpacht aan notaris David van Kelckhoven, die vergunning had om in de wateren te vissen met fuiken. Slechts in zeer droge jaren werd er veel vis uit de vennen gehaald.
Van veel groter belang dan de visvangst was de jacht. De landsheren van de heerlijkheid Onroerend goed aan het bezit waarvan enige rechten waren verbonden. Moergestel bezaten het jachtrecht. Doch dat betekende niet dat de boeren of de stropers niet naar hun geweren grepen. Zo betrapte in 1844 de Oisterwijkse jachtopziener Adrianus van der Heijden vier Moergestelnaren - te weten Johannes van de Wiel, Cornelis Liebregts, Peter Beekmans en Antoon Smulders - die met jachtgeweren op zoek waren naar wild. Zij werden door de ijverige opzichter tot aan Moergestels grondgebied achtervolgd. Daar aangekomen draaide een van de stropers zich om en schoot pardoes op de jachtopziener. Het schot raakte hem evenwel niet. De verbolgen jachtopziener deed meerdere malen aangifte bij de burgemeester van Moergestel, maar deze weigerde steeds proces-verbaal op te maken. De Officier van Justitie bracht dit voor een burgemeester toch enigszins merkwaardig optreden ter kennis aan de gouverneur. Maar ongewoon bleek zo'n weigering van de burgemeester achteraf toch weer niet. Tien jaar later klaagde de Officier van Justitie namelijk dat in Noord-Brabant menig burgemeester processen-verbaal nog immer achterwege liet, om in plaats daarvan de overtreders van de jacht de gelegenheid te geven de schaars gevulde gemeentekas te spekken. De heren, boeren, stropers en burgemeesters hadden ieder hun eigen belangen bij het toezicht en de uitoefening van de jacht, en niet zelden conflicteerden die belangen.
Op 25 mei 1849 kocht de gewezen gouverneur van Noord-Brabant baron André van den Bogaerde van Terbrugge voor drieduizend gulden het heerlijk jachtrecht van de erven Bekkers. Het was voor hem niet meer dan een cadeautje voor zijn zoon jonkheer Donatus Theodore Alberic (1829-1895), die daardoor naast heer van Heeswijk en Dinther ook heer van Moergestel werd. Een geschikt woonoord werd voor de jonkheer gevonden in kasteel Nemelaer. De jacht was zijn passie. Zijn tweelingbroer Louis noemde hem niet voor niets een `ware Nimrod'. De jonkheer ontwikkelde zich daarnaast tot een fervent vrouwenjager, Bourgondiër en roker. Tot kort voor zijn dood leefde hij, tot ergernis van alles wat van adel was, ongehuwd samen met een niet-adellijke dame. Zijn levensgezellin Koosje Janssen kon slechts bogen op een vader die hoofdonderwijzer was te Heeswijk. Pas op zijn sterfbed besloot de jonkheer te trouwen om op die manier voor zijn partner de erfenis veilig te stellen.
Van den Bogaerde liet het uitgebreide jachtterrein rondom Moergestel bewaken door twee opzieners. Zij werden geacht hun werkzaamheden uiterst serieus te verrichten. Gebeurde dit niet, zoals in 1857 toen jachtopziener Cornelis Sebregts dronken werd aangetroffen, dan volgde onmiddellijk ontslag. `Oncle Alberic', zoals de jonkheer door intimi genoemd werd, schroomde niet om met gewone burgers om te gaan. De Moergestelse onderwijzer Adriaan van Gool en zijn familie kwamen regelmatig op kasteel Nemelaer om er met de jonkheer en Koosje een kaartje te leggen.
Uiteraard kon Van den Bogaerde, zeker toen hij later in Heeswijk ging wonen, de uitoefening van de jacht niet altijd zelf doen. Hij en zijn erven verpachtten daarom de jacht aan grondbezitters. Die grondeigenaren wilden het op een akkoordje gooien met het gemeentebestuur Zij hadden namelijk veel last van stropers en stelden in 1876 voor om de rechten van de jacht aan de gemeente te schenken, die dan de jacht publiekelijk kon verhuren en de opbrengsten daarvan in de gemeentekas kon laten vloeien. Het voordeel voor de grondeigenaren zou zijn dat hun land niet langer afgestroopt werd, want `aan stroopers in onze gemeente is geen gebrek', schreef het bestuur van de Moergestelse landbouwclub. De boeren hadden echter meer last van het wild dan van de stropers. Zij pleitten daarom voor een algemene vrijheid van de jacht. Om diezelfde reden wees de gemeenteraad het verzoek van de grondbezitters op 30 juli 1876 af.

Een stropende burgemeester?

Op 10 november 1878 verscheen in de te Breda uitgegeven `Boerencourant' een ingezonden stuk dat volgens het gemeentebestuur van Moergestel beledigend was voor de gemeente. Men wilde gerechtelijke vervolging van de opsteller. Maar de Officier van Justitie achtte het artikel niet vervolgbaar. Het zal ongetwijfeld het ingezonden stuk `Hoe langer hoe gekker' zijn geweest, dat door het gemeentebestuur in het archief is opgeborgen:

`Hoe langer hoe gekker. Opnieuw heeft onze politie zich beroemd gemaakt. De Edelachtbare Heer Burgemeester heeft den zeldzamen moed gehad in persoon de roovers van tuin en veld tot op Berkelsch grondgebied te vervolgen. Wie die roovers zijn? Wel de haasen en konijnen. Een jagtopziener van Berkel, die zulk heldhaftig feit eene onderscheiding waardig keurde, heeft dan het hoofd der Moergestelsche Politie als strooper met een Proces Verbaal gedecoreerd. Bijna even loffelijk heeft de veldwachter zich van zijn konijnendienst gekweten. Deze heeft twee stroopers geattrapeerd bezig met het uitoefenen van hun edel bedrijf. Een der beschuldigden, een fatsoenlijk landbouwer, was toevallig op denzelfden tijd in de kom van het dorp, toen hij volgens de beschuldiging zijn stroopersambt zou uitgeoefend hebben. Eene kleine vergissing van den veldwachter. Het Proces Verbaal is natuurlijk bij de regtbank vernietigd. Een lid van den Gemeentenraad, die scheen te begrijpen dat dergelijk Proces Verbaal eene extra belooning verdiende, heeft in de laatstgenoemde vergadering voorgesteld, gezegden veldwachter daarom met verlies van traktement te schorsen. Zijn wij goed ingelicht, dan bestaat in de landbouw-club het voornemen bij de regering aan te dringen op een tweeden veldwachter. Dat is een voor konijnendienst, een voor misdrijf en diefstal. Goddank niet meer noodig, want men zegt, dat de Heer Burgemeester zijn buks aan den zolder wil hangen, en zich uitsluitend met de belangen van de schandelijk verwaarloosde gemeente wil bemoeijen. Wij hopen het, want dan zou al dadelijk ten bate der arme gemeentekas voor circa 600 gulden jaarlijks de jacht verpacht worden'. De schrijver van het spotartikel moet waarschijnlijk binnen de kring van de landbouwclub gezocht worden. Burgemeester Jac. van de Wouw, die in 1880 niet herbenoemd werd, meende dat er sprake was van een persoonsverwisseling. Hij gaf toe dat hij eens bekeurd was omdat hij jaagde zonder permissie van jonkheer Van den Bogaerde, maar dat was volgens hem in een grijs verleden geweest.

Tiendopstanden

Het revolutiejaar 1848 had ook op de boerenbeweging effect. Het bestaan van de tiendheffing werd meer omstreden dan ooit. Het tiendrecht was het recht om een evenredig deel te heffen, meestal een tiende 
, van de gewassen gegroeid op de grond die door een ander gebruikt werd. De tienden waren van kerkelijke oorsprong. Later gingen ook wereldlijke heren tienden heffen, zo ook in Moergestel. Maar in 1848 pleitten velen voor afschaffing van de tienden. De meeste heerlijke rechten werden na het revolutiejaar ook opgeheven, echter niet het tiendrecht. In 1849 moesten de boeren dus weer de tienden van het land laten halen. Nu waren in dat jaar naast de slechte aardappeloogsten ook de opbrengsten van rogge en boekweit matig vanwege de late nachtvorst. Massaal weigerden daarom de boeren in de Kempen en de Meierij te bieden op de tienden. De pachters werden met ketelmuziek ontvangen en weggejaagd. De minister van Justitie en de procureur-generaal te Den Bosch wilden in gemeenten waar men niet pachtte, een militaire bezetting vestigen. Maar de geboren Brabander gouverneur A. Borret was daartegen. Hij wenste slechts militairen in te zetten bij openlijk verzet en gaf de burgemeesters opdracht zoveel mogelijk te bemiddelen. Ook de verpachting van de tienden van de rijksoverheid (door Rijks Domeinen) liep aanvankelijk mis. Het Rijk besloot toen maar om met de helft genoegen te nemen.
Ook in Moergestel en omgeving waren er problemen met de verpachting door Rijks Domeinen. Notaris De Jong uit Oirschot moest op 18 juli 1849 de domaniale tienden opnieuw aanbieden in logement De Zwaan te Oirschot. Op de tienden van de families De Robiano, Spoor en Bekkers werd in juli in het geheel niet geboden. De compromissen die elders tot stand kwamen, werkten in Moergestel niet. Op 19 juli schreef M. Verbunt, belast met de inning van de tienden voor de Belgische familie De Robiano, een brandbrief naar onze zuiderburen. Hij zag geen mogelijkheid `om een kar graan zonder gewapende magt uit Moergestel te haalen deswijl de vragtrijders van Tilburg zig niet durve exponere aan de vrijgemeente'. Ook burgemeester Jac. van de Wouw was somber gestemd. Op 20 juli 1849 meldde hij de gouverneur dat er geen bod op de tienden was gedaan en dat er een `bedenkelijke spanning' in de gemeente bestond. De boeren deinsden voor geen autoriteit meer terug. Op 24 juli moest Verbunt aan De Robiano melden dat de Moergestelse boeren ook de tienden op spurriezaad en varkens weigerden en mogelijk ook die op boekweit en rogge. Verbunt wist niet hoe te handelen: `de muiters' met toegevendheid betrachten of zelf maar te gaan inzamelen. Het werd toegeven, nadat de tiendeigenaars Bekkers, Van Nouhuijs en Spoor op 25 en 26 juli al overeenkomsten met de boeren hadden gesloten. De Robiano stond eerst toe, net als tiendheffer Bekkers, dat stro en rouweling niet geleverd hoefden te worden. Toen uiteindelijk de andere tiendeigenaars slechts rogge en boekweit bleken te vorderen, ging ook de uitvoerder van De Robiano hiermee akkoord. In november werd weliswaar rogge en boekweit geleverd, maar er bleek ook veel van de tienden te zijn gestolen. Op 7 augustus meldde burgemeester Van de Wouw dat op het gehucht Haghorst van de erven De Robiano `meldenswaardige diefstal is gepleegt'. Door de marechaussees van Hilvarenbeek werd proces-verbaal opgemaakt.
De protesten keerden ieder jaar met de oogst terug. In 1850 moesten tiendenaars uit Tilburg de tiend van het veld zien te halen. De eerste twee oogstdagen in september 1850 leek er voor hen geen vuiltje aan de lucht, doch de derde dag ving aan met `baldadigheden': de boeren hadden `de kar doen afladen', met stokken naar de tiendenaars geworpen, hen uitgejouwd en zelfs werden `enige schoten gehoord waar op onze tiendenaars naar het hoofd van de policie te Moergestel zijn gegaan, om onderstand te vragen, welk hun na enige uure wagtens is gegeven en toen den afgeladen rog weer opgehaald. Toen heeft den burgemeester uit het garnizoen van Tilburg militaire magt ingeroepen, die orders hadden om te vuren als die zamenscholing zig niet verwijderde. De militairen hebben dagelijks onze tiendenaars op de akkers vergezeld tot in de gepasseerde week'. Zo beschreef Verbunt op 11 september 1850 de turbulente gebeurtenissen in Moergestel. Door assistentie van de militaire macht slaagde Verbunt erin veel meer mee te nemen van de velden dan in 1849: honderd vaten boekweit, vijftig vaten gerst en haver. Niet alleen op gewassen werden tienden geheven. In 1852 betaalde een Moergestelse boer voor iedere jonge big twintig cent en voor elk lammetje tien cent.
De nieuwe rentmeester van de familie De Robiano werd in 1851 jonkheer Verheijen. Tevergeefs probeerde hij in juli 1851 de tienden ten overstaan van notaris Frencken uit Hilvarenbeek te verpachten. In het vorige jaar was er totaal niet geboden en onder Verheijen zó bescheiden dat hij besloot om er meteen maar weer mee op te houden. Hij verpachtte de tiendheffing tenslotte aan enkele Tilburgers voor 1260 gulden; in 1852 gelukte het hem weer om Moergestelnaren te vinden. In datzelfde jaar schreef boerenvoorman C.J. Vorsterman van Oijen een brief aan de familie De Robiano met het verzoek het tiendrecht tegen een redelijke prijs aan de boeren te verkopen. Deze afkoopregeling vond in België geen gewillig oor. Intussen namen de moeilijkheden voor rentmeester Verheijen in Moergestel met het jaar toe. Bijna moedeloos schreef hij in 1853: `Er schijnt aldaar onder de boeren een geest te heerschen welke niet te veranderen is'. Rond 1846 leverden de tienden nog 2000 tot 2200 gulden op, maar in 1853 leden de pachters fors verlies. Weliswaar waren er inwoners van Moergestel die bereid bleken om tiendklampen te pachten, maar alleen die welke direct bij hun woning gelegen waren. Wie zich aan die ongeschreven regel onttrok, zo stelde Verheijen in 1854, werd met `alle middelen schrik aangejaagd'. De varkenstiend werd eenvoudigweg niet meer betaald. Verheijen zag een boerencomplot met vier of vijf `drijvers'. C.J. Vorsterman van Oijen was er een van. Hij trachtte volgens Verheijen de tiendheffers over te halen tot verkoop van het tiendrecht tegen een geringe prijs.
Uiteindelijk kwam er op 14 augustus 1876 een overeenkomst tot stand tussen de familie De Robiano en bijna honderd Moergestelse boeren waarbij het tiendrecht voor een bedrag van 13.700 gulden door de gezamenlijke boeren werd afgekocht. Dat was voor de autoriteiten wellicht ook een goede zaak, want in 1892, toen de landbouwprijzen zich op een dieptepunt bevonden, liepen de gemoederen in Brabant weer hoog op. In Kaatsheuvel was op 4 augustus een demonstratie van ontevredenen; militairen moesten in Sprang ingezet worden en op 8 augustus kwamen socialistische blaadjes in omloop in Capelle. In die plaats kwam het tot ernstige ongeregeldheden bij het huis van notaris Middelkoop, waar het volk pas door de marechaussee te paard uiteengedreven kon worden nadat het `in den tuin van den notaris een roode broek aan een stok gebonden' had. Dat bleef Moergestel in elk geval bespaard.

Tegenstellingen tussen boeren en grondeigenaren

De woeste gronden leverden de gemeente weinig geld op. Pas toen de Belgische mijnindustrie behoefte kreeg aan stuthout, kwam ontginning van de woeste gronden op gang en veranderde de heide in een bosgebied. Echter de meeste ontginners hadden weinig verstand van bosbouw en er werden hoofdzakelijk dennenbossen aangelegd. De gemeente Moergestel bood tussen 1846 en 1860 vrijdom van belasting op nieuw ontgonnen grond aan 28 grondeigenaren. In totaal werd negenhonderd hectare ontgonnen, het merendeel (achthonderd hectare) kwam voor rekening van Rudolph Vorsterman-van Oijen, een wachtmeester voluntair der lansiers. De bebossing van de Kerkeindse en Oisterwijkse heide kwam pas na 1880 op gang. Door de vochtigheid van het hout en doordat de jonge bepanting te lijden had van konijnen, leverde het bosproject geen fortuin op. De bospercelen werden veel later (1928) als brandhout verkocht voor dertig gulden per hectare.
De ontginners konden niet altijd op begrip van de boeren rekenen. Zo ontstond er in 1880 een conflict tussen Moergestelse boeren en de eigenaar van landgoed De Hondsberg, het Eerste-Kamerlid Van Swinderen. Deze had gronden gekocht rondom het Kolkven en vervolgens `kanalen' gegraven om het overtollig water via andere vennen naar de achterste stroom onder Oisterwijk te doen afvloeien. Rentmeester A.H. de Balbian Verster vond dat Van Swinderen hiermee de Moergestelse boeren ontzettend geholpen had, omdat vóór die tijd het water vanuit het Kolkven hun gronden voortdurend onder water zette.
Maar de boeren bezagen de problematiek toch enigszins anders. De waterkering die Van Swinderen had laten leggen in de Schoorkensloop bij Buiten Heikant, belemmerde de waterloop naar het Kolkven. In de nacht van 25 op 26 december, zo meldde rentmeester De Balbian Verster, staken `kwaadwilligen' de weg door aan de Buiten Heikant, zodat de Schoorkensloop al haar water weer op het Kolkven loosde. De grond rondom de boerderij van de kinderen van Johannes Groenendaal kwam zo weer droog te staan, maar aan de bezittingen rondom het Kolkven werd grote schade toegebracht. Terstond liet Verster op tweede kerstdag reparaties verrichten en 's nachts wacht lopen. Toen Verster later echter bij de burgemeester van Moergestel kwam vragen om de arbeidslonen voor het herstel van de gemeenteweg te vergoeden, kreeg hij nul op het rekest. De Commissaris van de Koning stelde in 1881 de burgemeester in het gelijk.
Een woedende De Balbian Verster opperde dat de boeren de zaak op zijn kop hadden gezet en hij dreigde de loop van het Kolkven naar de overige vennen af te sluiten, waardoor de Moergestelse klagers tegen de afsluiting van de Schoorkensloop weer wateroverlast zouden krijgen uit het Kolkven. Volgens Verster hadden de boeren op de Heikant nauwelijks last van het water, bij de kinderen van Groenendaal zou `slechts' de stal onderlopen. Maar B&W verlangden van de grondbezitter Van Swinderen opening van het sluisje. Dit geschiedde, maar het Kolkven was spoedig volgelopen en dus bleef ook voor de boeren de overlast bestaan. Resultaat was wel dat de verhoudingen met de grondbezitter voor langere tijd verstoord waren.

Vorsterman van Oijen en de Maatschappij van Landbouw

De voorman van de boeren sinds de tiendopstanden heette Constantijn Johannes Vorsterman van Oijen (Amsterdam 29 augustus 1814 - Moergestel 27 april 1899). Samen met zijn broer Rudolph was hij grondbezitter in Moergestel. Hij zette zich gedurende zijn verdere leven in voor de belangen van de landbouw en de boeren. In 1868 kreeg Vorsterman van Oijen daarvoor de bronzen medaille van de Hollandsche Maatschappij van Landbouw. Hij was in 1872 medeoprichter van de afdeling Tilburg e.o. van de Maatschappij van Landbouw, waarvan vooral grootgrondbezitters maar ook wel boeren lid waren.
De invloed van de Maatschappij van Landbouw in Moergestel moet niet onderschat worden. Er ontstond in 1872 een zogenaamde landbouwclub, die na het bereiken van twintig leden erkend werd als onderafdeling van de Maatschappij van Landbouw. De landbouwclubs hielden zich bezig met onderlinge samenwerking zoals de aankoop van mest, veevoer, hengsten en stieren, onderlinge verzekeringen en het houden van voordrachten. Toch bleef het vooral een organisatie van adellijke en geleerde mannen, een organisatie vóór maar niet ván de boeren.
In januari 1873 diende het voorlopige bestuur van de landbouwclub (president J. van de Wouw, secretaris J. de Bresser) een verzoek in bij de gemeente om subsidie te ontvangen voor de aankoop van goede springstieren en een varkensbeer. Het bestuur kreeg de gemeenteraad zo ver dat er onder auspiciën van het gemeentebestuur in Moergestel een stierenkeuring kwam. De houder van de beste stier streek een premie op van vijftien gulden. Die premie werd echter pas na een jaar uitgekeerd: de bekroonde stier moest zich eerst bewijzen. In 1875 kreeg Hendrik van Rooij de winnende premie, die toen echter al verlaagd was tot tien gulden. Het jaar daarop was er geen boer meer die bereid bleek een goede springstier te houden. De boeren moesten hun koeien weer laten dekken in Houtakker, de boeren van de Heijze gingen naar Hilvarenbeek en die van de Heikant en het Stokske togen met de koe wel eens naar Oisterwijk. Het Moergestelse gemeentebestuur vond het al lang goed. Weliswaar stond het dekken in Oisterwijk op vijftien cent, maar men had voor Moergestelse boeren een prijs van tien cent bedongen. De landbouwclub vond echter de situatie van één springstier op ruim zeshonderd koeien onaanvaardbaar. De club wees in 1877 nogmaals op de `erbarmelijke toestand der stieren in deze gemeente (een stiertje voor ongeveer 600 koeijen)' terwijl landbouwdeskundigen vonden dat `100 koeijen 's jaars voor de krachten van één stier meer dan genoeg is'.
Het optreden van de landbouwclub bevorderde een meer moderne aanpak van de landbouw in Moergestel. In 1873 kreeg de gemeente samen met onder andere Udenhout de beschikking over de districtsveearts uit Tilburg. Op 3 november 1873 hadden te Oisterwijk op verzoek van Udenhout verschillende gemeentebesturen vergaderd over een bijdrage aan deze veearts. De gemeenteraad van Moergestel bleek echter niet gecharmeerd van de afgesproken bijdrage van dertig gulden en vijftig cent per jaar. De raad vond 25 gulden wel het maximum.
De Moergstelse landbouwclub behoorde tot de afdeling Oisterwijk-Moergestel-Boxtel e.o., waarvan in 1878 J.C.M. Breda voorzitter, J.R. Wellenbergh penningmeester en C.J. Vorsterman van Oijen secretaris was. Het doel van de club werd omschreven als `opbeuring van de plaatselijken Landbouw'. Het bestuur van de Moergestelse club, met alweer Vorsterman van Oijen als secretaris, wilde de praktische en wetenschappelijke vooruitgang op landhuishoudkundig gebied zoveel mogelijk propageren en het onderwijs aan landbouwers verbeteren. Verder wenste het bestuur kleine proefvelden op te richten en het associatie-stelsel voor landbouwaangelegenheden te bevorderen door de aankoop van springstieren, zaaigranen, dors-, maai- en andere werktuigen voor gemeenschappelijke rekening. Naast Vorsterman van Oijen trad onderwijzer J. van Mierlo op als bestuurslid. In de jaren tachtig groeide de Moergestelse landbouwclub uit tot een zelfstandige afdeling waarvan de grondbezitters E.J. Maeijer en H.A. Reijnen bestuursleden werden. C.J. en A.A. Vorsterman van Oijen bezochten regelmatig de hoofdbestuursvergaderingen van de Noord-Brabantse Maatschappij van Landbouw.
De Moergestelse landbouwclub haalde in 1882 bij de heer Mahuijzen te Kalkwijk Profilic Haver en verkocht die onder de leden. Men verhuurde aan boeren een beerton en een snijmachine. De uit Amsterdam per trein aangevoerde stadsbeer voldeed uitstekend. In 1886 werden enige landbouwboeken aangekocht, waaruit op vergaderingen nu en dan iets voorgelezen werd. De leden konden de boeken gratis lenen. Het voorzien van de Moergestelse boeren van mest groeide al ras uit tot de belangrijkste activiteit. In 1888 werden zestig karvrachten paardenmest, driehonderd tonnen beer, zeshonderd kilo guano en zesduizend kilo kunstweimest van de firma Coenen en Schoenmakers uit Uden aangevoerd. Ook nam de afdeling een proef met afval uit de wolfabrieken. Al heel snel bleek dat het vee `niet gaarne op de daarmede bemeste weide graast'. De afdeling probeerde de varkensteelt te bevorderen, maar ze had geen beer ter beschikking. Ook plannen voor een zuivelfabriek kwamen niet van de grond. De Moergestelse boeren zagen meer heil in het vetmesten van hun kalveren, omdat de boterprijs te laag geacht werd.
De Moergestelse Maatschappij van Landbouw heeft ook een belangrijke stimulans geleverd aan de paardenhandel. De afdeling besloot in de zomer van 1893 een paardententoonstelling te houden. In de voorbereidingscommissie zaten onder anderen Aug. W. Vorsterman van Oijen, Gos. van de Wouw, H. Timmermans, H. van den Bosch en H.W. Nagel. Aan de tentoonstelling waren ook een paardenverloting en een harddraverij verbonden. Al rond 1880 kende Moergestel een levendige paardenhandel waarop met name Belgische en enkele Duitse kooplieden afkwamen. Jaarlijks werden zo'n vijftig paarden over de Belgische grens vervoerd. De paardenfokkerij en paardenmonsteringen namen na de tentoonstelling een hoge vlucht. In 1895 werden veel paarden op de Hollandse markt gekocht en na in Moergestel te zijn gedresseerd verkocht aan Belgische en Duitse kooplieden, hetgeen `voor menig Moergestelschen boer een goed bestaan oplevert'. De afdeling van de Maatschappij van Landbouw gaf jaarlijks een bijdrage aan de harddraverij en ringrijderij, die in het dorp plaatsvonden. Echter rond 1900 stagneerde het ledental van de afdeling en liepen het vergaderbezoek en de ijver terug. De Noordbrabantsche Christelijke Boerenbond zou spoedig daarna in Moergestel de belangenbehartiging van de boerenstand overnemen.

Een bijzondere Moergestelse familie

Ten tijde van de oorlog met België baarde Adriana Pape op 11 juli 1836 te Gilze-Rijen een zoon George Auguste. Hardnekkige geruchten deden de ronde dat hij verwekt was door een Duitse officier uit het militaire kampement. Maar in november 1836 trouwde Adriana met Constantijn Johannes Vorsterman van Oijen, een Noord-Hollands vrijwillig jager. Het echtpaar zou na het huwelijk nog elf kinderen krijgen. Toen Constantijn en Adriana in 1886 vijftig jaar getrouwd waren, werd ter ere van het gouden paar een gedicht in de Tilburgse krant afgedrukt geschreven door Van Oijens oude schoolmakker Nicolaas Beets, de bekende letterkundige en predikant. Binnen het protestantse gezin Vorsterman van Oijen, dat woonde aan het Putven (De Nachtegaal), overheersten vrijzinnig-liberale denkbeelden. Er bestond zelfs correspondentie met de destijds meest vermaarde Nederlandse socialist Ferdinand Domela Nieuwenhuis. De oudste zoon George Auguste bezocht de christelijke normaalschool te Nijmegen, maar had als onderwijzer uitgesproken antiklerikale opvattingen. Hij vestigde zich als schoolmeester in Zeeuws-Vlaanderen waar hij een cultureel gevierd man werd, waarvoor zelfs standbeelden zouden worden opgericht. Hij schopte het tot Tweede-Kamerlid voor de progressieve Vrijzinnig Democratische Bond. Een tegenpool van de opstandige geest van George Auguste was zijn op 22 juni 1854 geboren broer August Vorsterman van Oijen. Hij werd koloniaal, maar keerde met zijn KNIL-pensioen in 1891 naar Moergestel terug. Hij was de enige van de familie die na het overlijden van de ouders in Moergestel bleef wonen. Hij huwde op 7 januari 1897 met Elisabeth Adriana den Decker, een dochter van zijn zuster. August toonde zich uiterst verdraagzaam tegenover katholieken en nam plaats in lokale feestcommissies en verenigingen, waar hij vaak degene was die het woord voerde. Maar ongetwijfeld de meest bekende nazaat van Constantijn Vorsterman van Oijen werd zijn jongste zoon Anthonie Abraham. Hij zag het daglicht op 6 augustus 1845 te Moergestel. Hij groeide uit tot een van de belangrijkste publicisten over de Nederlandse genealogie Ander woord voor stamboom: overzicht van de nakomelingen van een bepaald echtpaar in de mannelijke lijn. en heraldiek. Befaamd werd zijn meerdelige `Stam- en wapenboek van aanzienlijke Nederlandsche familiën'. Hij is waarschijnlijk de enige geboren Moergestelnaar die een plaats kreeg in de Grote Winkler Prins Encyclopedie.

Boeren en leerlooiers afhankelijk van de molenaar

De relatie tussen de boeren en de plaatselijke molenaar was niet altijd even hartelijk. Een boer had belang bij een snelle afwatering van de rivier, de watermolenaar werkte bij voorkeur met een zo hoog mogelijke `pegel' (waterstand). De boer was voor het malen van zijn granen, oliehoudende zaden en boekweit afhankelijk van de molenaar. De `mulder' stond in hoog maatschappelijk aanzien. Hij maalde tenslotte het rogge tot meel, en roggebrood was met aardappelen het volksvoedsel bij uitstek. Over de hoogte van het maalloon lagen de molenaar en de boer voortdurend overhoop. Ook de looiers waren afhankelijk van de molenaar voor het malen van eikenschors dat gebruikt werd voor het looiproces.
De watermolen op het Stokeind aan de Reusel was in het begin van de negentiende eeuw eigendom van de Oisterwijker Peter van den Brekel. Hij verkocht de molen in 1826 aan de Rielse molenaar Nicolaas van Gorkum, die hem op zijn beurt in 1829 alweer verkocht aan de toen nog in Hilvarenbeek wonende Cornelis Adams. De overheid stelde beperkingen aan de werking van de watermolen om wateroverlast voor de boeren te voorkomen. Zo werd in 1832 bepaald dat molenaar Adams zijn waterkorenmolen alleen in werking mocht hebben in de periode 1 oktober tot 17 maart, en dan moest hij tussen 11.00 en 14.00 uur nog zorgen voor een vrije afvoer van het rivierwater.
Moergestel beschikte ook over een windkorenmolen. In het begin van de negentiende eeuw was Jan Meelis molenaar op de Molenakkers (nabij Biest-Houtakker, op de Brem), tot zijn dood in 1838. Daarna werd de standerdmolen verhuurd aan onder anderen de Oirschotse molenaar Josephus van Esch. Eigenaren waren de familie Roozen en burgemeester Jacobus van de Wouw. In 1852 besloot de familie Roozen de molen te verplaatsen naar de Akkerstraat (huidige Schoolstraat). Deze plek was beter bereikbaar, gelegen vlakbij het centrum van Moergestel en nabij de weg naar Hilvarenbeek. Cornelis Roozen (1827-1869) werd de nieuwe koren- en boekweitmolenaar. Als molenhuis diende een boerderij schuin tegenover de standerdmolen. Roozen kocht in 1854 ook de waterkorenmolen van Adams, inclusief de daarnaast liggende en eveneens door waterkracht aangedreven oliemolen, die eigendom was van leerlooier Johannes van de Wouw. De familie Roozen had hierdoor al snel een monopoliepositie in Moergestel.
Cornelis Roozen maalde het graan voor de boeren en bakkers én het door hemzelf ingekochte eiken- en hegschors voor de looiers. Vanaf 1856 werkte hij voor onder anderen burgemeester Jac. van de Wouw, leerlooier J.H. van de Wouw, Van Oijen, Kuipers, Koolen en Berkelmans uit Oisterwijk. Hij leverde meel aan de bakkers J. van de Wouw, J. van Roessel en Van Heijnsbergen. Ook was molenaar Roozen de belangrijkste transporteur in die dagen. Zo vervoerde hij in 1856 in opdracht van Jac. van de Wouw een kar huiden naar Oisterwijk. De zonen van Cornelis Roozen lieten in 1879 een stoommaalderij bouwen aan het Rootven. Dit betekende het einde van de watermolen, ook de olie-watermolen werd toen afgebroken. Uiteindelijk kwam de standerdmolen in 1887 in handen van de jongste zoon Paulus Cornelis (1861-1946).

Ondernemende mannen en vrouwen in schoenen en leer

Het zacht stromende water van de Reusel was erg geschikt voor de looiers. In het voorjaar hingen ze de huiden in het water om de haren losgeweekt te krijgen van de opperhuid. De boeren bezagen dit gedoe van de looiers met argwaan. Immers wanneer er huiden in de Reusel hingen, kon het water niet snel aflopen. Ook het Burgerlijk Armbestuur zou nog eens aandringen op een verbod op het inhangen van huiden in de maand mei.
De eveneens ruim voorradige eikenschors en de lage lonen zorgden ervoor dat diverse Midden-Brabantse plaatsen uitgroeiden tot looiers- en schoenmakersdorpjes. Al in 1819 was een kwart van het totale aantal Nederlandse schoenmakers gevestigd in Noord-Brabant. In 1807 telde Moergestel een zestal looiers-schoenmakers. Onder hen waren Johannes van Arendonk en Johannes Petrus van Bommel, de laatste afkomstig uit een familie van meesterschoenmakers in Breda en Baarle-Hertog. Hij was in 1795 getrouwd met Cornelia van Arendonk, een dochter van voorgenoemde Johannes. Van Bommel, die zich na zijn huwelijk in Moergestel had gevestigd, zou later de werkplaats van zijn schoonvader, gelegen naast de kerk, opkopen en er zijn fabriekje vestigen.
In de jaren tussen 1830 en 1840, toen er veel Nederlandse militairen in Moergestel gelegerd waren, moet de specialisatie van het laarzen maken ontstaan zijn. Oorlogen bleken gouden tijden voor de schoenmakerijen, in 1840 nog waren er in Moergestel dertig schoenmakers actief. Daarna ging het bergafwaarts. De voedselsituatie verslechterde mede door de aardappelziekte en ook in Moergestel kwamen meldingen binnen van gestolen veldvruchten. Op graanzolders werden herhaaldelijk dieven betrapt. De uitgaven voor de armenzorg stegen. In 1851 was Constantijn Vorsterman van Oijen de belangrijkste looier van gekleurd leder. Hij had een werkplaats waar vijf tot zes arbeiders werk vonden, maar in 1866 moest de werkplaats al weer gesloten worden. Veel emplooi was er niet in de looierijen en schoenmakerijen. In 1853 werkten er 21 volwassenen en drie kinderen. Het loon voor een arbeider bedroeg zeventig cent per dag. Dat was in de regio zeker niet het laagste, in Oisterwijk ontving een arbeider maar zestig en in Helvoirt slechts vijftig cent.
Door de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) en de toenemende export naar Nederlands-Indië steeg de vraag naar schoenen weer. In deze periode telde Moergestel zo'n 65 schoenmakers, die vooral woonden in de zogenaamde Bokkenhoek (Kerkstraat en Akkerstraat). Rond 1860 was Antonie van Gils in de Kerkstraat gestart met het maken van schoenen. Hij huwde een dochter van molenaar Roozen en legde de fundamenten voor het latere AVANG-bedrijf. Bij Van Bommel gaven ook de vrouwen (mede) leiding aan de schoenmakerswerkplaats. De zusjes Maria en Johanna van Dinter waren gehuwd met Cornelis en Johannes Petrus van Bommel. Beide heren stierven reeds op middelbare leeftijd. Maria zette met hulp van haar zonen de zaak voort, die later uitgroeide tot Cevabo (samentrekking van Cees van Bommel). Johanna leidde de schoenmakerij Wed. J.P. van Bommel.
Ook de Moergestelse looiers, waaronder Johannes en Gozewinus van de Wouw en Johannes en Martinus Reijnen, kenden na 1870 betere tijden. Johannes van de Wouw gebruikte het Broothuys als looierij. Toen hij in 1892 overleed, werd zijn weduwe Henrica Huberta van de Sande de nieuwe eigenares. Haar zoon uit een eerder huwelijk, Everardus J.M.J. Maeijer, volgde aanvankelijk zijn stiefvaders voetsporen, maar zou in 1896 burgemeester van Moergestel worden. Hij bleef het Broothuys tot zijn dood in 1931 bewonen.

Geen florerende straat- en markthandel

Naast de ambachtelijke looierijen en schoenmakerijen was er weinig bedrijvigheid in het dorp. Willem van Heeswijk had een wasblekerij. Van den Biggelaar runde een smidse, die pas later uitgroeide tot een vermaarde rijtuigenfabriek. Verder waren er nog enkele klompenmakers, linnenwevers, broodbakkers, een kuiper en een houtzager.
In 1868 werd voor het eerst een jaarmarkt vastgesteld. Op de eerste dinsdag in maart en op de tweede maandag voor Allerheiligen (1 november) kon men op de markt terecht voor paarden, runderen, biggen en schapen. Andere producten waren er niet te koop, daarvoor gingen de inwoners naar de Tilburgse weekmarkt en winkels. Zo af en toe deden venters Moergestel aan, met name uit Tilburg en Oisterwijk. Zij verkochten rond 1874 vooral moppen en mik. Onder hen waren flink wat joden. Zo verkocht Gombrecht van Dam manufacturen en Samuel Hartog galanterie, garen en band. De handel bleek in Moergestel geen doorslaggevend succes. De jaarmarkt werd in 1876 al weer opgeheven.
De concurrentie van de Tilburgse weekmarkt was blijkbaar te groot. Huiden, vlees en kruidenierswaren bekwam men uit Rotterdam, Den Bosch, Tilburg en Oisterwijk. Later kochten de leerlooiers hun huiden vooral in Antwerpen, Breda en Rotterdam. De uitvoer van leder, schoenen, laarzen en hout geschiedde eveneens via markten in de steden. Ook vee, boter, rogge, schors en hout van de Moergestelse boeren werd in Tilburg of omliggende plaatsen verkocht en soms zelfs in Amsterdam. De korte afstand naar Tilburg en de botermijn te Oisterwijk (sinds 1867) zorgden ervoor dat een plaatselijke middenstand niet kon floreren.
In 1887 pleitte de Maatschappij van Landbouw via een petitie voor het herstel van de jaarmarkt omdat er in de gemeente een levendige paardenhandel was. Het gemeentebestuur bleek niet te vermurwen, ook niet in 1891 en 1897 toen de Maatschappij het opnieuw probeerde. De raadsleden herinnerden eraan dat de vorige jaarmarkt opgeheven moest worden omdat er een te geringe deelname was. Bovendien waren er naar de mening van de raad te veel markten in de buurt. De Maatschappij van Landbouw bleef de gemeenteraad echter bestoken met voorstellen die de handel moesten bevorderen. Zo pleitte zij in 1892 voor de aanleg van een telefonische verbinding met de naastbijgelegen telegraaflijn. Het was meer dan een brug te ver. De raadsleden vonden het aanleggen van kunstwegen al heel wat.

Rijk en arm: een duidelijk onderscheid

Wat hadden Simon van Lommel, Hendrik van Beek, Goyert van Amsterdam, Jacobus van de Wouw, Willem H. van Kelckhoven, Johannes van de Wouw, Jan Baptist Reijnen, Adriaan Ketelaars, Cornelis Andreas van de Pol, Hendrik van Akeren, Cornelis Roozen en Willem van Heeswijk met elkaar gemeen? Wel, zij behoorden in de periode 1815-1890 tot de top-tien van hoogst aangeslagenen in de hoofdelijke omslag, wat betekende dat zij de hoogste inkomens hadden in Moergestel. Maar er was meer wat hen bond. Zij bekleedden allen bestuurlijke functies, zoals schepen 
, schout gemeentesecretaris, wethouder, raadslid of burgemeester. En dat betekende weer dat zij met de pastoor, die overigens ook tot de hoogst aangeslagenen behoorde, als rijke lieden de dienst uitmaakten wanneer het ging om materiële steun aan hulpbehoevende armen. Cornelis Roozen, Hendrik van Akeren en Willem van Heeswijk waren ook nog eens armmeesters.
Tegenover een beperkt aantal welgestelden stond een leger van armen. In 1841-1842 leefde 46,9% van het aantal gezinshoofden in Noord-Brabant op of onder de armoedegrens. Het Burgerlijk Armbestuur van Moergestel ondersteunde in de eerste decennia van de negentiende eeuw per jaar zo'n vijftig armen. Maar dat was slechts het topje van de ijsberg. Immers familieleden en de kerk onderhielden in belangrijke mate de behoeftigen. Armoede werd gezien als iets dat ontstond door je eigen schuld. Drievijfde van de ondersteunde armen in Moergestel behoorde tot de arbeidersstand, de overigen tot de boerenstand. Meer dan de helft van de armlastigen was vrouw en het merendeel was eveneens niet in staat tot enige vorm van arbeid. Ouden van dagen, invaliden en alleenstaande vrouwen met kinderen vormden het leger der armen. Het Burgerlijk Armbestuur gaf de behoeftigen geld, kleding en brood. Daarnaast werden begrafeniskosten vergoed en in de tweede helft van de eeuw werd een bijdrage geleverd aan de onderwijs- en woningkosten. Het armbestuur verkreeg zijn gelden uit de verpachting of verkoop van landerijen en uit collecten.
Rond 1830 liep het aantal bedeelden in Moergestel op tot ongeveer zeventig. De uitgaven van het Burgerlijk Armbestuur bleven daarna stijgen, tussen 1845 en 1860 werden recordhoogten bereikt. De bedeling vond vooral in de wintermaanden plaats. 's Zomers moesten de armen als het even kon aan het werk gezet worden. De zachte winter van 1851 was voor het Burgerlijk Armbestuur een godsgeschenk: er hoefde nauwelijks ondersteuning plaats te vinden. Ook de toen in gang gezette ontginningen hielpen verscheidene armen aan werk. Het was Vorsterman van Oijen die in 1852 met zestien anderen ervoor pleitte om, net zoals dat met de gronden van het Stokeind gebeurd was, de percelen in de Broekzijde te verkopen. Volgens hem zouden de verkochte gronden ontgonnen worden en daardoor welvaart brengen voor de gehele gemeenschap, terwijl de arme boeren van de Broekzijde nu slechts over woeste gronden en een kwalitatief slechte veestapel beschikten. In 1854 werd in Moergestel een poging ondernomen om te komen tot werkverschaffing aan de armen. Veel resultaat had deze poging niet. De ondersteuning door het Burgerlijk Armbestuur liep weer op en wel zodanig dat rond 1860 het bestuur over te weinig middelen beschikte om aan alle behoeften tegemoet te komen. Oorzaak hiervan was vooral gelegen in de wetgeving. De nieuwe Armenwet van 1854 bleef ervan uitgaan dat de uitgaven van het Burgerlijk Armbestuur slechts dan dienden plaats te vinden wanneer de kerkelijke liefdadigheid het liet afweten. Dus kreeg het Burgerlijk Armbestuur slechts weinig financiële armslag. Bovendien bepaalde de wet dat de armen ondersteund moesten worden door de gemeente waarin ze geboren waren. Nu waren er in de jaren van de inkwartiering van militairen (1830-1839) nogal wat `onwettige kinderen' geboren in Moergestel, die toen ze ouder waren vaak elders een beroep op de bedeling deden, waarvoor Moergestel echter moest betalen. Dit zogenaamde domicilie van onderstand, pas afgeschaft in 1870, betekende voor Moergestel extra financiële uitgaven. In 1860 kwam er een RK Armbestuur van de grond, dat de meeste armen in Moergestel ging ondersteunen, maar de lastigste gevallen bleef men doorsturen naar het Burgerlijk Armbestuur.
Een enkele maal werd het betalen van rekeningen voor onderstand in een andere gemeente het gemeentebestuur van Moergestel te gortig. Men maakte dan gebruik van de mogelijkheid om de ondersteunde persoon te laten terugkeren naar de geboorteplaats (het zogenaamde renvoijeren). Dit geschiedde echter slechts bij hoge uitzondering. Francisca Willems, een kraamster in garens, werd op deze manier in 1865 uit Duiven teruggehaald. Zij kon nog slechts met moeite lopen, nadat zij in 1859 was behandeld voor een beenbreuk. Bovendien bleek zij volgens de gemeente Duiven `onrein' en humeurig en moest zij 's nachts permanent bewaakt worden. Een dergelijke opeenstapeling van verplegingskosten werd Moergestel te veel. Francisca werd per diligence naar Den Bosch gebracht. Blijkbaar was de 82-jarige vrouw toch ook weer niet zo slecht ter been, want onderweg werd zij bewaakt om te voorkomen dat zij zou ontsnappen. Een voerman uit Moergestel nam Francisca vervolgens mee naar haar geboortedorp, waar zij vier jaar later overleed.
De sociale wetgeving stelde op het platteland nog weinig voor. De Wet op de Kinderarbeid (1874) kreeg wel een plaatselijke pendant in de vorm van een lokale verordening op het arbeiden van kinderen beneden de twaalf jaar. Het was verboden deze kinderen gedurende schooltijden (uitgezonderd de avondschool) te laten werken. Onder dat verbod viel ook het hoeden of drijven van vee, wat veelal door kinderen geschiedde. Maar de burgemeester kon schriftelijk en voor bepaalde tijd ontheffing van dit verbod verlenen, doch alleen om die kinderen veld- of tuinarbeid voor hun ouders of voogd te laten verrichten. Overtreding van de verordening werd bestraft met een geldboete van één tot drie gulden.

En Moergestel betaalde de rekening...

Elisabeth Brouwers was spinster en dagloonster. Zij had in Moergestel als alleenstaande moeder twee dochters gekregen: Johanna en Jacoba. Moeder en dochters trokken naar Tilburg, waar hun situatie zich niet echt verbeterde. Op 45-jarige leeftijd kwam Elisabeth in 1839 terecht in een gevangenhuis en bleek zij besmet te zijn met de `syphilitische ziekte'. Het is niet onwaarschijnlijk dat zij in Tilburg, zoals zo vele andere vrouwen, trachtte geld te verdienen als publieke vrouw voor de in de kampen verblijvende militairen. Haar dochters moesten in die tijd verpleegd worden. Dochter Jacoba, die als dagloonster ging werken, vroeg in 1855 ondersteuning omdat zij door verzwering aan de hand een chirurgische behandeling moest ondergaan. De kosten van verpleging en behandeling werden allemaal verhaald op de gemeente Moergestel, omdat Jacoba daar geboren was.
Ondertussen was dochter Johanna gaan reizen met een kleine negotie. Dat leverde haar niet veel geld op; in oktober 1847 werd ze opgenomen in de bedelaarskolonie Ommerschans, in de buurt van Zwolle. En ook de bedelaarskolonie liet Moergestel betalen. Na haar ontslag uit Ommerschans vestigde Johanna zich als dienstmeid in Avereest. Deze gemeente diende op 12 maart 1848 een rekening in voor geneeskundige behandeling van Johanna. Moergestel moest opnieuw de beurs openen. Op 14 augustus 1850 vroeg het armbestuur van Arnhem aan Moergestel vergoeding voor de reiskosten, die men voor Johanna gemaakt had. Johanna werkte inmiddels in Arnhem, maar was wegens `ongesteldheid buiten dienst geraakt' en verklaarde naar haar geboorteplaats Moergestel terug te willen. Maar de stadsgeneesheer beklemtoonde dat dit het best kon geschieden met de stoomboot en niet te voet. Zo voer zij naar Rotterdam en vandaar naar Moerdijk. Maar in Moergestel had haar negotie weinig mogelijkheden. In 1851 verbleef Johanna als koopvrouw al weer in Wageningen, waar op 14 november 1851 het armbestuur verplegingskosten voor Johanna declareerde aan Moergestel. In een Wageningse slaapstede was zij van een kind bevallen. En dus volgden er nog meer rekeningen uit Wageningen. Toen Johanna hersteld was, vertrok zij in november 1852 uit Wageningen. Op 24 juni 1857 bleek ze zich met inmiddels drie kinderen in Groningen te hebben gevestigd. De kinderen waren zodanig ziek, dat ze de gehele dag verpleegd moesten worden. En ook voor die kosten draaide Moergestel op.
Daarna leek het Johanna beter te gaan. Ze huwde met Tobias Holtman, doch die overleed spoedig daarna. Op 3 augustus 1865 hertrouwde Johanna met Antonie van den Bos. Voorspoed bracht deze nieuwe ontwikkeling niet. Al op 2 oktober 1866 bevond Johanna zich in het Huis van Arrest te Haarlem. Haar twee minderjarige kinderen (een dochter van vijftien en een zoontje van drie) werden bedeeld door de gemeente Velsen. Haar nieuwe echtgenoot verklaarde tegenover de gemeente Velsen niets gemeen te hebben met Johanna's kinderen en ze ook niet te willen erkennen. En dus werd de onderstand voor de zoveelste keer weer verhaald op de gemeente Moergestel. Maar Moergestel hield deze keer de poot stijf en weigerde, hierin gesteund door Gedeputeerde Staten, om de gemeente Velsen te betalen.

De lange weg van zand naar grind

Alle doorgaande wegen waren in het begin van de negentiende eeuw nog zandwegen, die in de wintermaanden nauwelijks berijdbaar waren. Slechts te voet en dan nog met veel moeite kon men in die tijd de molen, de kerk of de dorpsschool bereiken.
In 1828 ondernam het gemeentebestuur een eerste poging de wegen rondom Moergestel te verbeteren. Bij de Heiligenboom (thans Draaiboompje) richting Oirschot kronkelde een voetpad door een laag gelegen drassig gebied. Parallel daaraan liep een tolweg, de Ancemse of Oude Dijk, waarvan Francis Roozen, tevens herbergier van de Heiligenboom, eigenaar was. Roozen liet iedere vreemdeling, die met kar en paard wilde passeren, voor een `over en weer' een halve stuiver betalen. Daarvoor kreeg de voerman dan wel een borrel of een glas bier. Roozen bezat weinig grond en hij was voor zijn gezin van zeven kinderen dus in hoge mate aangewezen op zijn tolhuis annex café. Nu wilde het gemeentebestuur de grond van het voetpad kopen en de weg daar verbreden. Roozen was uiteraard furieus en beschuldigde de ontvanger der belastingen Simon van Lommel (tevens herbergier van De Swaan) en burgemeester Jac. van de Wouw ervan in eigenbelang te handelen: `Zij zitten netto aan de baan met hun herbergen en winkels'. Gedeputeerde Staten bleken echter ongevoelig voor het particuliere belang van Roozen. De nieuwe weg zou in plaats van 2325 ellen slechts 722 ellen lang worden en daarmee, zo oordeelde het provinciebestuur, was het algemeen belang het best gediend. Toch zou het plan van het gemeentebestuur uiteindelijk geen doorgang vinden. B&W hadden namelijk bedacht de kosten voor de grondaankoop van het voetpad te financieren uit de verkoop van percelen Kerkeindse heide. De boeren protesteerden hiertegen echter zo heftig dat het gehele plan in 1830 werd teruggenomen. De boeren waren immers bij natte zomers afhankelijk van de heide omdat hun vee dan onmogelijk kon grazen op de broekvelden. Bovendien hadden zij de heide hard nodig voor turf en heivlaggen.
Pas in 1852 kon door een ministeriële beschikking het groene licht gegeven worden voor een grindweg Eindhoven-Tilburg via Best, Oirschot en Moergestel. Er was een periode van eindeloos touwtrekken tussen de deelnemende gemeenten aan voorafgegaan over de hoogte van de afzonderlijke bijdragen. Vooral de gemeente Best bleek weinig genegen om mee te betalen. In 1856 kwam een aarden baan gereed, die drie jaar later pas geheel begrind en gedeeltelijk bestraat was. Voor Moergestel betekende de weg een forse financiële aderlating. De gemeente kon de betaling slechts realiseren door een afbetalingsregeling met Gedeputeerde Staten te treffen. De weg met de grove kiezels werd telkens opengereden door paard en kar en vergde dus veel onderhoud. Er werden `kantonniers' aangesteld, zoals Naris van de Velden, zijn zoon Willem en Driek van Overdijk. Zij veegden, voorzien van schop en bezem, de paardenvijgen en andere ongerechtigheden van de straat.
Op voorstel van de gemeente Oisterwijk boog het Moergestelse gemeentebestuur< zich in 1856 over een plan om de weg van Moergestel naar Quatre-Bras (rijksweg Tilburg-Den Bosch) te begrinden. Oisterwijk kwam met het voorstel nadat Udenhout had laten weten plannen te koesteren tot aansluiting op de grote rijksweg. In het voorliggende plan zouden Oisterwijk en Moergestel ieder 33% van de kosten moeten opbrengen, de rest werd verhaald uit rijkssubsidies. Na lang touwtrekken met Oisterwijk ging een krappe meerderheid van de Moergestelse gemeenteraad in 1864 ten slotte akkoord met een bijdrage van 1700 gulden. Dat was in elk geval fors minder dan de bijdrage van 2304 gulden die de provincie Moergestel in 1860 nog had willen opleggen. De weg kwam daarna spoedig gereed.
Een kunstweg naar Diessen wilde minder vlotten. Al in 1880 lagen er plannen voor een dergelijke weg, die ook de verbinding naar Westelbeers zou verbeteren. Een weg naar Hilvarenbeek werd in 1889 door de gemeenteraad afgestemd vanwege de te hoge kosten. In 1892 leek de raad te kunnen instemmen met een weg naar Hilvarenbeek over Biest (herberg Kemenade). Maar de nieuwe plannen verhitten de gemoederen in het dorp omdat andere belanghebbenden voor een ander tracé kozen. Moest het de Heuvelstraat of de Molenakker worden? De gemeenteraad kwam er op 30 mei 1892 niet uit en het reeds genomen besluit werd maar weer ingetrokken.
In 1872 verzocht het Oisterwijkse raadslid Rijpperda de gemeente Moergestel om in navolging van Oisterwijk enige aandelen te kopen in de ontworpen spoorbaan Tilburg-Den Bosch-Nijmegen teneinde daardoor de lijn langs Oisterwijk te krijgen. Het gemeentebestuur zag er geen brood in. Ook plannen in 1880 om te komen tot een tramlijn Tilburg-Moergestel-Oisterwijk leidden tot niets. Al in 1873 werd een kanaal gepland van de Zuid-Willemsvaart (bij Erp) naar Tilburg, via Moergestel, naar Amer en Hollandsch Diep. De gemeenteraad pikte deze zaak serieus op en vaardigde de burgemeester af naar de besprekingen met een aanbod op zak om afstand te doen, zonder onteigening of schadevergoeding, van gemeente- en Heijzegronden. Bij elkaar stelde Moergestel aan gronden en aan geld zevenduizend gulden beschikbaar voor het kanaalproject. In ruil daarvoor wilde men wel twee bruggen bij de Heuvelstraat en de Heijzenschestraat en een door de provincie verzorgde laad- en losplaats aan het kanaal. In september 1875 had Moergestel de eis al ingeperkt tot één brug tussen de Heuvelsche en Broekzijsche straat nabij de Kleine Locht. Maar de zaak sleepte zich voort. In mei 1878 ondersteunde Moergestel nog een adres van Tilburg aan de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid, en in 1890 een rekwest van Oisterwijk om het kanaal tussen Moergestel en Oisterwijk te krijgen. Het bleven voorlopig plannen.
De vervoersmogelijkheden met de steden waren zeer beperkt. In 1851 reed er slechts één voerman wekelijks op Den Bosch, uitsluitend voor goederenvervoer. Tien jaar later kwam er een dienst op Tilburg bij en deed een voerman die tussen Eindhoven en Tilburg reed ook Moergestel aan. De postillon, die van Tilburg naar Eindhoven ging, bezorgde de postbrieven voor Moergestel bij de voetbode Jan Baptist van Trier, die overigens ook veldwachter, schoenmaker en slachter was. Bij afwezigheid van ander vervoer bracht hij de brieven zelf naar de omliggende gemeenten en naar het postkantoor te Oisterwijk. Mededelingen van het gemeentebestuur aan de bevolking werden op zondag opgehangen bij het kerkgebouw. In 1851 kwam er een hulppostkantoor met een plaatselijke besteller. Er was slechts één bodeloop op Oisterwijk per dag gezien de beperkte communicatie. Op 10 mei 1884 was het wederom de Maatschappij van Landbouw die de directeur der posterijen verzocht de bode tweemaal daags te laten lopen, dit in verband met de vele looierijen, schoenmakerijen en paardenhandel. Maar de grote doorbraak in het communicatieverkeer zou pas na de eeuwwende plaatsvinden.

Angst voor de `rode haan'

Het aantal huizen en boerderijen nam in de negentiende eeuw niet opzienbarend toe. De woningen waren geconcentreerd in de oude buurtschappen Kerkeind, Over 't Water en de Heijze. Hout en stro werden bij het bouwen van huizen nog veelvuldig aangewend, waardoor het brandgevaar groot was.
Het gemeentebestuur was zich terdege bewust van de noodzaak van een brandspuit, maar kon rond 1820 geen middelen vrijmaken. Gedeputeerde Staten drongen wel aan, maar de oogsten in Moergestel vielen tegen en daardoor ook de gemeentelijke inkomsten. Wel bleek de gemeente in 1822 over een nieuw brandreglement te beschikken. Daarin werd het verboden om zich met `ongedekte' brandende pijpen op de openbare weg te begeven. Op snel ontvlambare plaatsen zoals stallen, schuren, zolders, hooi- of stromijten mocht zelfs geen `gedekte' brandende pijp gebruikt worden op straffe van een boete van twee gulden. Ouders werden verantwoordelijk gesteld voor hun kinderen en gezinshoofden voor hun dienstboden en arbeiders.
In 1824 kon dan toch een brandspuit aangeschaft worden. De gemeenteraad wees drie brandmeesters, drie pijpvoerders en veertig waterpompers en slangendragers aan voor de brandspuit, en drie kapiteins en veertig manschappen voor de brandwacht. Daarnaast nog was ieder gezin verplicht om in geval van brand de geschiktste persoon uit hun midden te leveren, voorzien van waterketel of emmer. Wie zich aan de aanwijzingen van de gemeenteraad zou onttrekken, stond een boete te wachten.
Hoe vernietigend het vuur voor het woningenbestand kon uitpakken, bewees de grote brand in 1895, die bij de kerk een carré van eenvoudige huisjes en kleinschalige bedrijfspandjes verwoestte. Dit complex van huisjes met op een binnenterrein uitkomende achterplaatsen werd in de volksmond `de Cambrinus' genoemd, naar het café met die naam dat er deel van uitmaakte. Niet iedereen was echter rouwig om het verlies van de huisjes. Pastoor Van Rijckevorsel van Kessel, Vorsterman van Oijen en vele anderen namen het initiatief om ter verfraaiing van het dorp het huizenbezit aan te kopen, zodat Moergestel in het bezit zou komen van een plein `dat tot sieraad van het dorp zal strekken en bij uitnemendheid geschikt is tot het houden van paardenmarkten'. Bouwvallen moesten plaatsmaken voor de vooruitgang. Op die manier was in 1889 ook het oude kasteel Hoogenhuizen gesloopt en door architect Dekkers vervangen door het huidige tweelaagse herenhuis.
Het bouwvallige brandspuithuisje met gevangenis werd in 1896 verkocht. Tevens besloot de gemeenteraad om de brandkuil erachter te vervangen door twee goede brandputten. De oude brandkuil was gedurende de zomer onbruikbaar. Bovendien wierpen allerlei mensen er `vuiligheid' en `veele onreine voorwerpen' in, waardoor er soms ook nog een onaangename geur verspreid werd.

Weinig bevolkingsgroei door late huwelijken en slechte gezondheidszorg

Het aantal inwoners van Moergestel groeide in de negentiende eeuw slechts zeer geleidelijk van ongeveer 1200 naar 1390 in 1900: een stijging van ruim 15%, waarmee men ver achterbleef bij de groeipercentages voor Brabant en Nederland. De hoge gemiddelde huwelijksleeftijd op het platteland en het geringe geboorteoverschot waren verantwoordelijk voor deze beperkte groei. De hoofdzakelijk uit boeren en dagloners bestaande Moergestelse gemeenschap had nauwelijks expansiemogelijkheden. Pas als een boer voldoende grond had, kon hij trouwplannen maken. De Moergestelse mannen en vrouwen huwden later dan de gemiddelde man en vrouw in de Kempen. Het geboorteoverschot was in Moergestel dan ook lager.
De Moergestelse mannen huwden het meest (26,8%) tussen de 30 en 34 jaar, direct gevolgd door 25,6% die tussen de 25 en 29 jaar huwde. De huwelijksleeftijd van de Moergestelse meisjes lag wat lager: van hen trouwde 39,8% tussen het 25ste en 29ste levensjaar. In de periode 1811-1890 kon men in Moergestel gemiddeld per jaar acht- à negenmaal de klok horen luiden voor de inzegening van een kerkelijk huwelijk. Er werd vooral kort na Pasen gehuwd. Kerkelijk kon men in de vastentijd niet trouwen en van veel knechten en meiden liep het contract met Pasen af. Een `topdag' was donderdag 27 april 1843 toen zeven bruidjes en bruidegoms elkaar het ja-woord gaven. Bij dergelijke gelegenheden traden de trouwlustigen ook op als getuigen bij de andere huwelijkssluitingen. In de eerste helft van de negentiende eeuw werd nogal eens op zondag gehuwd. Dit geschiedde veelal uit tijdgebrek. De boeren konden op de kleine arbeidsintensieve landbouwbedrijfjes geen werkdag missen. En dus trouwde men op zondag omdat de boeren dan toch naar de kerk moesten. Het laatste zondagse huwelijk in Moergestel werd gesloten op 16 februari 1868.
De Moergestelnaren waren redelijk honkvast in de negentiende eeuw. Bij de huwelijken bleek dat 50% van de bruidegommen in het dorp geboren was, bij de bruidjes lag dat percentage zelfs op 66. Weliswaar daalden beide percentages in de tweede helft van de eeuw, maar over de gehele periode (1811-1890) was toch 58% van de trouwlustigen in het dorp geboren. Dat percentage lag in vergelijkbare omringende plaatsen een stuk lager: Esch 31, Berkel-Enschot 38, Helvoirt 47 Udenhout 51 en Haaren 53. Trouwde een Moergestelnaar al met iemand uit een ander dorp, dan was de partner meestal afkomstig uit Oisterwijk (14,1%), daarna volgden Hilvarenbeek (12,1%), Diessen (9,4%) en Oirschot (7,9%).
De hoge sterftecijfers (en met name de zuigelingensterfte) waren een andere oorzaak voor de geringe bevolkingsgroei op het Meierijse en Kempische platteland. Misoogsten, enkele strenge winters en griep- en cholera-epidemieën zorgden voor een toename van de sterftecijfers. Rode loop, een vorm van dysenterie, en de pokken zaaiden eveneens dood en verderf. Geneeskundige voorzieningen waren er in Moergestel amper en de plattelandsbevolking stond er ook sterk wantrouwend tegenover. Het platteland bleef lang het werkterrein van dorpsgenezers, belezers, wrijvers, nijpers en strijkers. Vanaf 1861 verzorgde dokter Bolsius uit Oisterwijk de armenpraktijk in Moergestel, tevens werd hij belast met de doodschouw.
De verpleging van krankzinnigen stond nog geheel in de kinderschoenen. Instellingen als Coudewater (Rosmalen), Voorburg (Vught) en Assisië (Udenhout) dateren pas uit de periode 1870-1904. Daarvoor was er alleen Reinier van Arkel in Den Bosch. Particulieren namen soms zelf initiatieven. Ook Vorsterman van Oijen hield zich in 1859 bezig met de verpleging van krankzinnigen in Moergestel. De minister van Binnenlandse Zaken sommeerde hem hiermee onmiddellijk op te houden, omdat zoiets in strijd was met de wet. Meestal bleven krankzinnigen gewoon in het dorp wonen, dit veranderde toen in 1885 Voorburg beschikbaar kwam.

`Het wijf scheurde de man de mouw van het lijf'

Wanneer een krankzinnige in het dorp bleef, was het meestal de veldwachter die enig toezicht moest houden. De onbezoldigde veldwachter Calame, die eigenlijk op stropers moest letten, kwam in 1872 in de bossen meer dan eens Maria van de Wouw uit de Heikant tegen. Dat zij `in de bosschen schade doet' vond de veldwachter al erg genoeg maar dat zij behalve dat aan `erotische vlagen' toegaf en al haar kleren optilde om zich `nagenoeg naakt' te laten aanschouwen was voor de veldwachter te veel van het goede. Maar Maria boezemde niet alleen de veldwachter angst in; ook haar buren liet ze niet met rust. Zo viel Maria haar buurvrouw Scheffers met een hooivork aan en scheurde zij de echtgenoot van vrouw Scheffers toen `die het wijf keerde, de mouw van het lijf'. De kantonrechter A.H. de Balbian Verster moest er zelfs aan te pas komen om de lieve vrede in de Heikant te herstellen.
 
Venster sluiten